Op deze blog schrijf ik allerlei stukjes uit mijn jeugd, gezin en andere zaken die mij op dat moment bezig hielden.
Op mijn tweede blog heb ik mijn creativiteit los gelaten. Was het eerst borduren en breien, nu is het alleen nog maar haken wat me heerlijk van de straat houdt.
Avalon`s creablog: http://avalon022.blogspot.com/

Vanaf 2005 hou ik een digidagboek bij. Ik heb hierin over vanalles geschreven. Soms schrijf ik drie stukjes in een week en soms duurt het maanden voordat ik weer inspiratie krijg om iets op te schrijven. Dat kan dus vanalles zijn, heel persoonlijke dingen, wanneer ik niet lekker in mijn vel zit, herinneringen uit mijn jeugd en de tijd dat we met onze kinderen als gezinnetje samenwoonden, vakantie- of dagtripverhaaltjes, maar ook gekke, droevige of gewoon dagelijkse dingen die ik om mij heen registreer en waarover ik het leuk vind iets te schrijven. Alle verhaaltjes staan sowieso in pdf formaat op mijn drive, maar ik heb besloten om zo langzamerhand alle verhaaltjes alsnog te publiceren op deze blog. Veel leesplezier.

Ps-1. al bladerend door de onderwerpen zie ik nu [1-8-2013] dat het een rommeltje is geworden met de lettertypes en grootte van letters. Hoe dat komt weet ik niet. Wel weet ik dat ik ze zo niet gepost heb. Dus het zal wel weer een onvoorziene truc van Google zijn.
Ps-2: de bovenstaande foto is door mij genomen in een goddelijk rustige omgeving in de buurt van Säffle [Midden Zweden] in juni 2012

vrijdag 13 december 2013

Vrijdag de 13e

Ik had al tegen dochter Suzanne gezegd, ik ga door tot het gaatje. Nou dat gaatje komt nu dus denk ik aardig dichtbij. Het wordt nu toch echt een sport om het met mijn laptop van 6,5 jaar oud en Windows Vista het zo lang mogelijk uit te houden. 

Niet bewust van komende problemen kwam ik thuis, zette de laptop aan en ging boodschappen opruimen. Dat opstarten lang kan duren was ik al aan gewend. Na 10 minuten constateer ik een zwart scherm met een witte pijl. [de muis]. Na nog eens 5 minuten; geen verandering. O jee, het einde??

2e poging: Startknop ingedruk en herstart. 
Na 5 minuten verschijnt er een noodscherm waarin staat dat ik de beveilingsinstellingen moet aanpassen en dat ik internet wel kan vergeten. 
Dus de beveiligingsinstellingen omgezet naar een extern programma wat ikzelf beheer en de internetknop zijn nek omgedraaid. 

3e poging: Er verschijnt een gedeelte van mijn bureaubladinstellingen. Kan wel vanalles doen maar internet werkt uiteraard niet. Bij het aanzetten van de internetverbinding gaat hij mijn wifi niet zoeken. Dus herstart. 

4e poging: Gewoon opgestart. Niets aan de hand, alles is weer normaal. Hahahaha schiet mij maar lek, snap er niets van. Maar ja een ding ging dus niet door. Lekker even rustig broodje eten, onder het genot van een fil
mpje.


Geschreven en gepost op facebook: 13 december 2013

zaterdag 9 november 2013

Walesmania

Orde scheppend in al mijn losse files, die her en der op de computer staan, wil ik zoveel mogelijk mijn geschreven stukjes toevoegen tot mijn digidagboek. Ook onderstaand verslagje is er nu dus bij, zij het met een klein voorwoord ter verduidelijking van de situatie.

VOORWOORD:
Het stukje op 9 november 2013 doorlezend, verbaas ik me over de onduidelijkheden. Aanleidingen tot gebeurtenissen ontbreken en voorzover ik het nog weet zal ik proberen wat licht in de duisternis te brengen.
1. Een grote groep vrijwilligers van de Stoomtram Hoorn-Medemblik is in die zomer op werkbezoek geweest bij de Ffestiniog Railway in Wales. Ten tijde van dat bezoek, waren wij al met vakantie in Wales en we zouden elkaar ontmoeten in het hotel in Porthmadoc om aan te sluiten bij de groep om het werkbezoek mee te maken. Toen we echter in Porthmadoc in het hotel aankwamen wisten ze van niets.
2. Russell was de buschauffeur van de groepsbus en organisator van de reis.
3. De laatste dag hebben we een excursie gemaakt met de Snowdow Mountain Railway en dat we daar boven op die berg alleen maar wolken en mist zagen ben ik om het leuk te houden ook maar even vergeten..
4. De kwaliteit van de fish and chips is wijselijk achterwege gelaten. Hij was zo koud en vettig, dat we sindsdien alle minderwaardige aardappelstaafjes vergelijken met die van toen. De conclusie luidt nog steeds, dat tot nu toe alles beter is geweest dan die we toen in Minfford gegeten hebben.

Nu het originele verslag:

Geschreven: 25 oktober 1999
Dagtekening: oktober 1997

"WALESMANIA"

Er bestaan mensen die dingen anders willen doen dan normaal, en ik denk dat wij aardig aan deze definitie beginnen te voldoen. Dus niet gewoon met de bus heerlijk een weekendje uit met de stoom­tram, maar dat weekendje inplannen in je eigen vakantie. Dit in eerste instantie tot groot verdriet van dochter Suzanne. Moest ze alleen met de bus mee!! Nou ja, alleen?

We hielden voet bij stuk en gingen dus met een gerust hart twee weken eerder weg, gewapend met de naam van het hotel t.w. "The Royal Sportsman Hotel" in Porthmadog, waar we met elkaar zouden overnachten. Dat geruste hart bleek later een beetje onterecht, maar door een stom toeval en een telefoontje naar Russell, die zowaar thuis was, kwam dat allemaal op tijd in orde. We moesten namelijk naar het St. Davids Hotel in Harlech.

Russell had trouwens nog iets leuks voor ons in petto. "Koop even een vlaggetje van Wales, want met een engelse vlag op de locomotief kunnen we echt niet rijden". Met dat tweede was ik het volledig eens, want dat ligt daar nogal gevoelig, maar het eerste leverde nogal wat problemen op. Nergens te vinden die dingen. Een tweede telefoontje naar Amsterdam wees ons de weg naar Caernarfon waar we in een winkel bij het kasteel een emmer vol vlaggetjes vonden. Had hij dat niet meteen kunnen vertellen!
















De ontmoeting met de groep was hartverwarmend, de auto was binnen de kortste keren tot de "The Flying Dutchman" omgedoopt en er werd door sommige figuren zeer taktvol gevraagd of de auto nog deukvrij was. Dat was hij, of liever gezegd, toen nog wel. De auto zorgde trouwens voor nog een fraai verhaal. Toen we zaterdagavond in Harlech terugkwamen was de parkeerplaats overvol door een feestje in het hotel. Ik vond met behulp van de receptioniste een plekje, waarbij ik met haar medeweten enkele engelse auto`s klemzette. "Ze gaan toch met een uurtje weg, of het zijn auto`s van hotelgasten en blijven rustig staan tot de volgende ochtend", was haar antwoord, "Zet maar neer, dat regel ik wel". Tegen half één en anderhalf uur later vond ik het mooi geweest voor die dag, waar­schuwde de receptioniste en ging naar de kamer, met het idee dat alles wel goed zat. Dus niet! Ik was net uit bad, lag al in bed maar sliep nog niet toen er heel zachtjes geklopt werd. Lies de Jong vertelde dat er beneden een man rondliep met een papiertje met mijn autonummer erop en of de auto even verplaatst kon worden.Vooruit maar weer, wat moet je anders, die mensen willen ook naar huis. Dus hup, het bed weer uit en met de hoogstnodige kleren aan weer naar beneden. Zes engelsen stonden me daar op te wachten en waren heel blij me te zien. Stel je voor, met nat haar en een beetje suffig, moest midden in de nacht, die auto, in de kleinst mogelijke ruimte in z`n achteruit tussen de geparkeerde auto`s door weggereden worden. De engelsen begonnen me hulpvaardig door elkaar heen allerlei aanwijzingen te geven. Was "down" nou echt achteruit? Dat weet ik nog steeds niet maar ik ben er schadevrij uit gekomen. Jan de Jong loodste me daarna naar een intussen vrijgekomen plaats, waarbij ik als toetje nog met m`n voet in een natte greppel dook. En dan slapen????
Het weekend had voor mij letterlijk en figuurlijk een absolute hoogtepunt.Letterlijk hoogtepunt was de tocht naar de top van de Snowdon, waarbij ik dacht dat ons rijtuig als een kaartenhuis uit elkaar zou vallen. Het schudde zo door elkaar dat elke halve minuut de ramen spontaan naar beneden klapten. Uiteindelijk, met zoveel technici aan boord bleef het ene raam dicht met de lijmklem van Russell en het tweede met tape van onbekende herkomst.




Figuurlijk de hartelijke ontvangst en de grandioze inzet van de mensen van de Ffestiniog Railway en het etentje ["fish and chips" op schoot] in hun "Society Hostel" in Minffordd. Geen moeite was hun teveel en ik denk dat iedereen dat wel zo ervaren heeft. Het was een weekend vol stoom, treinen, techniek en zwarte handen. Verhalen daarover laat ik graag over aan de mensen die er verstand van hebben. Een weekend met pijn in je buik van het lachen en fijne mensen. En een weekend waarin je kon staan op "de Cob" in Porthma­dog, om je heen kijken, en je kon realiseren dat je stond op het mooiste plekje van de wereld.



Nb.
Toen we deze zomer [2013] weer in Wales waren, konden we het niet laten om nog eens even een kijkje te gaan nemen bij het St. Davids hotel, waar we in 1997 twee van die geweldig gezellige avonden hadden gehad. We wisten niet wat we zagen. Het hele hotel was verlaten, vervallen en compleet gestript. Een triest gezicht !!!!


vrijdag 18 oktober 2013

Zielig

Een paar dagen geleden werd ik wakker en zag toen ik uit bed stapte iets donkers op de grond bewegen. Verbaasd sperde ik mijn ogen open en toen ik nog eens goed keek zag ik ongeloofelijk maar waar een schitterende vlinder op de grond klapwieken. Het was zo`n mooie bruin-oranje exemplaar welke je in de zomers zo af en toe eens ziet. Hier in Opperdoes bij het station zag je ze al helemaal niet, want er zijn veel te weinig bloemen waaruit ze hun benodigde voedsel zouden kunnen halen. En nu ver in november zat er hier eentje in de slaapkamer. Wat moest ik daar nou mee aan. Ten eerste vroeg ik me af , hoe hij/zij de hele tijd die kou had overleefd en hoe het in vredesnaam aan voedsel was gekomen. Dat kon dat beestje me helaas ook niet vertellen. Maar erger, wat moest ik doen. Als ik het op de slaapkamer liet overwinteren, dat zou niet lukken, maar met buiten zetten ging het ook een zekere dood tegemoet. Wat een akelig dillemma. Dat heb je dan van dat buitenwonen, dacht ik bij mijzelf.

Laf en besluiteloos ben ik naar beneden gelopen, het beestje gewoon op de vloer achterlatend en gokkende dat Karel er niet op zou trappen. Ik hoopte tegen beter weten in dat het probleem zichzelf zou oplossen en ik de vlinder niet meer zou zien. Die vlieger ging niet op. Twee dagen later was de vlinder er weer. Wat moest ik doen. Tegen mijn zin in en met wroegend hart heb ik een handdoek gepakt en het beestje opgepakt. Ik ben naar de andere kant van het huis gelopen en heb het schuldbewust buiten op de vensterbank gezet. Ik troostte me met de gedachte dat het op die dag niet buitensporig koud was en het zonnetje scheen. Dat hielp helaas maar een ietsiepietsie beetje, maar ik voelde me niet echt fijn.

Geschreven: 23 november 2009
Dagtekening: november 2009

Ochtendje Alkmaar


Grappige datum vandaag. Quatorze juillet. De nationale feestdag in Frankrijk. Nou ik hoop dat ze beter weer hebben dan wij hier, want het regent de hele dag al pijpestelen en de temperatuur komt niet veel hoger dan ca. 16 graden. Vanmorgen was hij echter nog lager en voor zulk weer hebben wij sinds onze vakantie een nieuwe term, tw: "Noorwegen weer". Van een feestdag is hier ook niets te merken en gelukkig hebben de kindertjes hier nog geen vakantie. Zouden ze dat wel hebben gehad, zou het aardig in de buurt komen van een dagje herfstvakantie. Maar okee, nu geen gezeur meer over het weer, want dat helpt toch niet. Ik heb mijn blog gesplitst. De borduurverhalen kregen steeds meer de overhand,
zodat ik maar een aparte borduurblog heb opgestart. Het kostte me zowat de hele dag om alle stukjes over te zetten en nog kan ik de diashow op de oorspronkelijke site niet heropstarten. Google kan mijn nieuwe album in picasa niet vinden en ik hoop maar dat het met een dagje is opgelost. Ik wilde ter illustratie van mijn stukje een fotootje of zeven van Alkmaar laten rouleren, en had de oorspronkelijke diashow, die vol zat met borduurwerkjes, overgeplaatst naar de andere blog.

Dan maar mijn verhaaltje over Alkmaar zonder al die foto`s. Ingrid wilde naar een borduurwinkel in Alkmaar die midden in de binnenstad lag. Niet mijn favoriete plek om met de auto heen te gaan om te gaan shoppen, maar alas, ergens anders was de benodigde borduurstof niet te koop. De "Karperton" is een bloedgriezelige en benauwd smalle parkeergarage, waar de vloer zo scheef loopt, dat er overal lichtbakken hangen waarop in het nederlands en engels staat dat je de auto alsje blief op de handrem moet zetten. Dat was geen loze kreet, want als je het niet deed voorspelde dat weinig goeds. Het was
prachtig weer en we liepen in ons t-shirtje de stad in. Een van de eerst dingen die ik zag was deze kruk. Hij stond voor een "Mondriaan-winkel", waar veel artikelen in felgekleurde vlakken waren uitgevoerd. Ik vind hem geweldig, en een goed idee. Als ik helemaal niets meer te doen heb, ga ik ook zo aan het breien. Meubels genoeg. Ik zie het al, een tv kast in felgekleurde en gebreide Mondriaan blokken. Aan de andere kant van de Langestraat [de grote winkelstraat], was ik een paar jaar geleden nog wel geweest, omdat ik er deelnam aan de hobbymarkten in de Grote Kerk, maar dit gedeelte van Alkmaar was voor mij bijna onbekend. Ik had me er jaren geleden eens vastgereden om folders naar de VVV te brengen, maar van de schitterende mooie panden en kerken had ik toen niets geregistreerd. Nu dus wel en Ingrid en ik liepen heerlijk rond te fotograferen. We zouden bijna vergeten waarom we er waren.

Na het bezoek aan de borduurwinkel kwam ik op een plek die ik direkt herkende van een foto van jaren geleden. Dat was op de Vismarkt, waar de oude galerijen en de waterpomp nog steeds aanwezig zijn. Toen ik thuiskwam ben ik natuurlijk meteen de foto gaan zoeken. Die vertelde me uiteindelijk dat we er in 1974 waren en de kaasmarkt bezochten. Ondanks dat het 37 jaar geleden is, herinner ik me die dag nog heel goed, omdat Ingrid ons de stuipen op het lijf gejaard heeft, om op een bomvol plein zoek te raken. De goede afloop is me helaas ontschoten. De foto vind ik een plaatje; lief zo!, onze kindjes toen 1, 4 en 6 jaar oud.























Geschreven: Opperdoes 14 juli 2011
Dagtekening: 10 juli 2011









Vouwen in de trein

Ik heb verschillende hobbies gehad, zoals iedereen trouwens, want je moet toch wat kunnen doen, om al je beslommeringen van kinderen opvoeden, huishouden en noem zo maar op, een beetje in de hand te houden. Vooral in de periode eind jaren 80 en beginjaren 90 was bij mij origami favoriet. Echt uit de hand lopen deed het niet, maar de kinderen waren er niet echt blij mee. Ze verkeerden blijkbaar in de veronderstelling dat ze hun moeder kwijt waren aan al die
hobbyuitingen, en in alle eerlijkheid moet ik zeggen dat het lesgeven soms best wel intensief was. Fijn was het wel, want behalve het "eens lekker weg zijn" en "eens andere mensen preken", had ik daardoor ook een zeer schamel eigen zakcentje. Dat gaf me een reuzekick, want ik had er veel moeite mee dat ik geen eigen geld had. Heus ik kon echt alles doen wat ik wilde hoor, maar eigen geld dat is toch anders. Ik vouwde me inderdaad soms wezenloos, en het toppunt is geweest de grote tempel die ik samen met To Dierdorp heb gevouwen. Hierover zal ik het later nog wel eens hebben want ik wil nu mijn verhaal afmaken over het vouwen in de trein. Vooral tijdens de vouw en bouwperiode van de bovengenoemde tempel was ik druk met "dienstreizen”  met de trein. Dat kon ook gemakkelijk want ik was toen in het bezit van een OV jaarkaart, zodat ik heel goedkoop vele origamitentoonstellingen kon bezoeken. Tijdens de lange trajecten was het best fijn om wat om handen te hebben, vandaar dus dat er heel wat bouwsteentjes van die tempel in de trein geproduceerd zijn. Het was schijnbaar ook het NS personeel opgevallen dat ik maar steeds met die papiertjes zat te prutsen. Ik heb ettelijke keren uitgelegd wat ik zat te doen, en het is me een keer gebeurd dat ik, moe van die dag toen eens niet zat te vouwen, de opmerking kreeg van een zeer adremme conducteur. “He moet je niet vouwen vandaag! “.

Geschreven: Oppperdoes,14 september 2005
Dagtekening: december 1991

Mostar

Ik heb in mijn leven heel wat gefotografeerd en degene die mij kennen zullen dat zeker niet ontkennen. Alle foto`s en dia`s zijn nu zowat ingescand en het is voor mij een heel bijzondere verzameling geworden.



In plaats van een kast vol met fotoboeken en dozen vol dia`s past alles nu [nog] op drie inbrand-dvdtjes. In de toekomst zal het ongetwijfeld nog wel compacter worden maar dit is in mijn ogen al wonderlijk genoeg. Natuurlijk laat ik alles gewoon in de kast staan, maar een back-up van al die foto`s en dia`s geeft best een veilig gevoel. En voor de zekerheid heb ik ook nog copietjes van die drie schijfjes ergens buitenshuis geparkeerd. De afbeeldingen zijn zeer gevarieerd. Van “gewone” familiefoto`s tot voor mij wel enkele uitschieters. Neem nu deze drie. Wie kon in de zomer van 1968 vermoeden dat deze plek een van de grootste brandhaarden van Europa zou worden. Tijdens een vakantie in Herzeg Novi, aan de kust van het toenmalige Joegoslavië gingen we een dagje naar Mostar. Natuurlijk hebben we over Stari Most [oude brug] gelopen en natuurlijk hebben wij het kleine huisje op de brug gezien als ideale plek om te wonen. Ook de kleine straatjes aan beide zijden van de brug waren heel gezellig. Aan de zuidoever van de rivier was de moslimwijk. Allemaal kleine winkeltjes met veel koperwerk en de handel in tapijten werd gewoon op straat gehouden. De andere kant van de brug was veel meer westers georienteerd, maar door het hele dal was te horen dat er om 12 uur `s middags vanaf de minaret van de moskee werd opgeroepen tot gebed. Aan het eind van de dag reden we weer terug de rivier over.

Op de nieuwe brug kon ik nog net een laatste foto van de oude brug maken, niet wetende dat het een historische foto zou worden. Het symbool van de goede samenleving tussen moslims en christenen werd op 9 november 1993 moedwillig aan gort geschoten. Een volkomen nutteloze actie. Met veel vlagvertoon is op 23 juli 2004 de “oude” brug weer heropend. Aan de hand van oude tekeningen en met veel moeite is hij best weer knap weer opgebouwd. Het resultaat is helaas smetteloos wit en een beetje “betonnerig”, maar dat zal in de loop der jaren ook wel weer slijten. Al met al zijn het drie bijzondere foto`s geworden, die voor mij toch wel een zeer bijzondere waarde gekregen hebben.


Geschreven: Opperdoes,12 augustus 2005
Dagtekening: september 1968

zondag 22 september 2013

Geraniums

Geschreven: Opperdoes, 27 juli 2009
Dagtekening: Voorjaar 2009

Al zolang als wij in Opperdoes wonen is de spoortuin een zoodje. Dat is niet zo verwonderlijk want op het oog lijkt het nogal onduidelijk wie er verantwoordelijk is voor het onderhoud. Echter ons huurcontract is er duidelijk over. De tuin is niet bij de huur inbegrepen, dus is ga ik ervan uit dat wij er in principe niets aan hoeven doen. Een goeie zet van Jaap die ons hiermee beschermde voor een enorme taak. Dat wordt helaas onder de medewerkers van de Stoomtram anders opgevat. Logisch natuurlijk want zij weten niets van ons huurcontrakt en daarom gaat daar dus het verhaal dat wij er niets aan willen doen. Dat is niet helemaal onwaar, want vooral de eerste aanzet en het onkruidvrij maken is een werk wat wij echt niet aan zouden kunnen. Verder vergt het nogal wat investering om er iets redelijks van te maken en dat zie ik ook niet echt als mijn taak. Echter een stukje van die enorme tuin bijhouden zou ik best leuk vinden want dan zou ik eindelijk eens een hoekje kunnen creëren waarin we misschien wat vrijer buiten kunnen zitten. Dus met een goede samenwerking zouden we er best iets moois van kunnen maken, huurcontract of niet.

Om de boel toch een beetje op te leuken hang ik al jaren vijf bakken geraniums aan de hekken en die doen het wonderbaarlijk. In mei als de nachtvorst over is ga ik naar De Boet in Hoogwoud en haal voor twee tientjes geraniums. Ik vul de bakken en alleen als het erg droog is moet je ze even wat water geven. Verder doen ze alles zelf en ze bloeien dan wondermooi door tot diep in de herfst. Daarbij zet ik, als ik nog wat heb, enkele bloempotten bij de retirade en station Opperdoes is weer een beetje netjes voor de zomer.


Op één van de vaste maandagmiddagen bij mijn moeder kwam het gesprek ook eens op die spoortuin. Op dat moment stond het gras zoals gewoonlijk weer bijna tot aan mijn knieën, maar mijn geraniums waren schitterend. Ik zong mijn lof over die bloemen en hoe goed ze het bij mij in die bakken deden. Toen deed mijn moeder een duit in het zakje. "Geraniums", zei ze, "die heb ik nooit gekocht hoor". Op mijn vraag waarom dan wel niet, kwam het verbluffende antwoord. "Nou dan kan ik er ook niet achter gaan zitten!" Ik was sprakeloos, en nu ik er eens goed over nadenk klopt het echt. Ik kan me niet heugen dat ik vroeger thuis geraniums op de vensterbank heb zien staan. 

Buren-2

Toen ik vanmorgen in de slaapkamer op het krukje naar buiten stond te kijken, viel mijn oog ineens op al die schattige beeldjes en versieringen die de overburen op de muur van hun garage hebben opgehangen. Een grote bloempot, die nu leeg is, twee schattige lantaarntjes, een spiegel, maar vooral het beeld van een grote oranjegele zon trok mijn aandacht. Die straalde zo vrolijk door de donkere decemberochtend; daar werd ik echt vrolijk van. Ze zitten echter allemaal verstopt achter een grote hoge haag, zodat je er alleen vanuit ons slaapkamerraam goed zicht op hebt. Vanaf de straat zie je niets of je zou pontificaal voor het pand moeten gaan staan. Hun hele huis, wat er schattig uitziet, lijkt een onneembaar fort. Een heg die metershoog is, scheidt hun garagepad af van de parkeerplaats en een heel mooi maar hoog smeedijzeren hek laat ook duidelijk weten dat het niet de bedoeling is dat je zonder duidelijk doel, de voordeur nadert. Jammer dat de boel zo hermitsch is afgesloten, maar iedereen is natuurlijk vrij daarin en wie ben ik om daar over te oordelen.

Toen we hier pas kwamen wonen hadden we nog wel contakt met deze overburen en uit één van die gesprekken bleek, dat ze het erg moeilijk vonden om hun sociale contacten te combineren met hun werk waarvoor ze beide alle dagen naar Amsterdam moesten. Dat forensen hield in dat ze heel vroeg weg moesten en heel laat weer thuis kwamen. Ook kwam zijn prevut in de knoei vanwege verregaande bezuinigingen bij zijn baas, zodat het heen en weer rijden voor hen langer zou gaan duren dan gepland. 

De tweede hoofdpersoon in dit stukje is onze huisvriend of liever gezegd, zijn autootje, een rode Fiat Cinquecento, die hem zowat wekelijks naar Opperdoes bracht, om bij ons in het weekend te gaan klussen voor de stoomtram. Die cinquecento, zo`n 8 jaar oud, reed goed, maar stonk als een slecht onderhouden oldtimer, vreselijk naar benzine. Herhaalde malen al had ik aan hem gevraagd, dit eens te vermelden bij de garage, maar hij vond het allemaal wel best en ook op dat front gebeurde er dus niets. De hele zomer van 2007 bleef de situatie zo en ik ergerde me er eigenlijk alleen een beetje aan als ik bij mijn eigen auto moest zijn en ik duidelijk rook welke auto er naast mij stond. September kwam en zowaar de rode Fiat kwam weer door de APK met de opmerking, dat er wel iets loos was omdat hij zo naar benzine stonk, maar dit geen gevaar opleverde voor gezondheid en veiligheid. En waarom zou je kosten maken als je, zoals hij van plan was, toch een andere auto zou kopen.

Toen kwam de bewuste avond. Geen idee meer wanneer het precies was, maar het zal zo ongeveer september/oktober 2007 zijn geweest. We kwamen met twee auto`s uit Hoorn. Ik in onze Ignis en de beide mannen in de cinquecento. Ik kwam als eerste de straat in rijden en zag dat alle vier parkeerplaatsen tegenover ons huis bezet waren. Twee door de bovenvermelde buren [met een auto en hun bedrijfsbus] en de derde en vierde door de vader van de buurvrouw die zijn auto dusdanig had geparkeerd dat hij twee plaatsen in bezit nam. Boos, maar wel vaker gewend aan het feit dat zij de halve straat voor hun blik annexeerden, reed ik de auto De Kaag op, keerde, en plaatste mijn auto vol op de stoep voor ons huis. Tien minuten later kwamen de mannen dus de straat in rijden en parkeerde de cinquecento resoluut pal achter de auto van de de buurvrouw`s vader en zette hem daarmee helemaal klem. Na een uurtje of twee was ik dat helemaal vergeten en zaten we rustig met zijn drieen tv te kijken. Ineens wordt er enorm op de deur gebonsd en ik schrok me wezenloos. De mannen zeiden tegen elkaar, dat is vast de buurvrouw, maar open doen, nee hoor, stelletje helden, dat mocht ik doen. Me eigenlijk van geen kwaad bewust, deed ik de deur open, en wat er toen tegen mij gezegd werd, zal ik hier maar even niet herhalen. Ik heb nooit geweten dat er zoveel scheldwoorden bestonden. De meeste kende ik niet eens, maar de intonatie sprak boekdelen. Ik stond totaal te shaken, en nadat ik de hele litanie over me heen had laten komen, begon me iets te dagen. Dat ging over de Fiat Cinquecento, die stinkende cinquecento van onze huisvriend, daar hadden ze zich de hele zomer al aan zitten ergeren en dat was zo geëscaleerd dat ze nu op het kookpunt waren. Ja, gingen ze nog even door, ze hadden die auto expres zo geparkeerd dat die cinquecento de parkeerplaats niet op kon, en de auto zou nooit door de APK komen, en of hij [onze vriend was intussen achter me komen staan] ook in die stank zou blijven zitten. Ik werd uiterst kalm maar zei geen woord. Ik had geen zin in een ordinaire scheldpartij, waarin het ongetwijfeld zijn ontaard. Trouwens ze luisterden toch niet. Tot slot nam onze vriend het verstandige besluit om zijn auto maar even aan de kant te zetten, hoewel ik me kan voorstellen dat hij hem graag de hele nacht had laten staan.

Dat was dus het laatste contact met onze overburen. Ik hoop dat ze eens de moed zullen hebben om nog eens terug te komen op dit voorval, ik zou het graag met ze bespreken. Natuurlijk begrijp ik hun frustratie, maar hun oplossing was nou niet bepaald taktvol. Als ze gewoon naar ons toe waren gekomen, dan hadden we erover gepraat. Wij kenden onze vriend`s  nonchalance en als ze iedereen hier in de straat met zoveel "vriendelijkheid" tegemoet getreden zijn, dan rest je niets anders dan je achter een grote heg te verstoppen.                                              

Toch ziet het huis er schattig uit, al hun ziel en zaligheid ligt erin, dat is duidelijk te merken. Hoe jammer is het dan dat als ik uit mijn slaapkamerraam kijk dit niet als hoofdgedachte hebt, maar dat altijd die scheldcannonade door mijn hoofd speelt. Hoe anders had het kunnen zijn.
Zie ook Buren-1


Geschreven: Opperdoes, 23 december 2009
Dagtekening: zomer 2007

Buren-1

Wonen in Nederland is is een kunst apart. Je woont boven, onder en dicht naast elkaar en het is dan ook een hele toer om het allemaal gezellig te houden. Vrijstaande huizen zijn er nauwelijks en als je ze al vind zijn dan zijn ze meestal voor mensen die het geld op stapeltjes hebben liggen. Dat hebben wij helaas niet maar dank zij onze unieke stationswoning wonen we momenteel zonder aan ons vastzittende buren. Ik heb vanaf de tijd dat wij wisten dat we naar Bovenkarspel zouden verhuizen altijd gedacht en gezegd dat één van de moeilijkste dingen van het wonen de omgang met je buren is. We zitten hier in Nederland zo dicht op elkaar dat ik er beroerd van wordt. Het spreekwoord “een goede buur is beter dan een verre vriend is” heb ik helaas zelden ervaren want welke buren we ook gehad hebben, ik kan er boeken over schrijven. In 1971 en pas in Bovenkarspel gearriveerd hadden we het druk, want het huis was nieuw en verhuizen geeft een puinhoop.

Horen en zien verging je, timmeren, zagen en boren was aan beide zijden van ons huis ieder weekend aan de orde. Ik dacht in eerste instantie een beetje naief “ok” ze zijn net verhuisd dus moet er vanalles gedaan worden om het huis naar je zin te maken, maar na een jaartje kreeg ik de indruk dat ze aan beide zijden van ons een totaal nieuwe woning aan het bouwen waren. Het hield niet op. Ondanks dat hadden we het eigenlijk best goed met elkaar. We waren ook wel erg op elkaar aangewezen want de families woonden ver weg en we waren allemaal nog erg jong en onervaren op allerlei gebied. Dus liepen we in het begin bij elkaar de deuren plat. Ook werd de afscheiding tussen de tuinen opengelaten, zodat de kinderen gemakkelijk bij elkaar konden gaan spelen. Op die manier hadden we een goede sociale controle gecreëerd en konden we gemakkelijk een oogje in het zeil houden. Maar langzamerhand begonnen ook de ouders van die kinderen door de tuinen heen te lopen en op het laatst was ik met onze tussenwoning zo`n beetje het België van de Hugo de Grootsingel. Ik zat er nou eenmaal tussenin. Toen er ongevraagd een babyfoondraad via ons huis naar de buren aan de andere kant werd gelegd was voor mij de maat vol. Allereerst gingen bij mij de tuinen dicht en probeerde ik mijn leven toch weer iets meer op ons eigen gezin te richten. Of me dat in dank werd afgenomen weet ik niet. Niemand heeft ooit iets gezegd maar het drukke verkeer tussen de huizen om ons heen bleef onverminderd doorgaan. Het timmeren trouwens ook. Toch was het gelukkig niet allemaal kommer en kwel. Met de buren van de overkant hadden we een geweldig contact. Misschien was dat wel de reden dat het zo goed ging. We zaten in ieder geval niet zo op elkaars lip dus daar konden geen moeilijkheden van komen. Zij hadden inderdaad dezelfde problemen op het gebied van de geluidshinder en hebben zelfs een poging gewaagd om een geluidwerende wand op de binnenmuur tussen de kamers te plakken. Helaas hielp het niet. Het meest idiote wat betreft geluidshinder dat ik met hen heb meegemaakt gebeurde op een avond dat we allebei alleen thuis waren. Waar de mannen waren weet ik niet zo precies meer maar waarschijnlijk waren ze samen op stap naar het basketballen met de oude bodemloze “eend” van de overbuurman. Op die bewuste avond heeft de buurvrouw mij via de telefoon volledig laten meegenieten van de bevalling van haar buurvrouw. Dat was zo duidelijk te horen dat ik na vele malen de vermelding gekregen had dat er geperst moet worden beloond werd op de mededeling dat de baby een meisje was. Verdere details zal ik in dit stukje maar achterwege laten maar ook die werden mij tot in de finesses doorverteld. Achteraf denkend vind ik het gewoon misdadig is het om zulke gehorige huizen te bouwen en dan ook nog met de huiskamers tegen elkaar aan. Je kon eenvoudigweg niet naar muziek luisteren zonder je buren te hinderen, ook al zet je de radio of tv nog zo zacht. En dan hadden wij nog geluk. Vrienden van ons vertelden ons dat zij in de huiskamer regelmatig beloond werden met het geluid van het doortrekken van de wc bij de buren. De architect van die huizen had dus helemaal niet nagedacht, want de wc van de een was tegen de huiskamer van de ander gebouwd. Ook gesprekken en andere activiteiten in de slaapkamers bleven niet altijd binnenskamers.

Geluidshinder is een van de meest ergerlijke dingen die er bestaan en op een gegeven moment na een jaartje of vier was ik helemaal op. Niemand die het begreep. Ik met mijn slechte oren zou daar toch veel minder last van moeten hebben, dachten zij. Helaas is niets minder waar want door die oren ben je veel alerter op je omgeving dus kwam het allemaal net zo hard aan. Op een gegeven moment bevroor ik al als er maar muziek te horen was. Alleen het idee al dat je niet bij machte was om dat op te laten houden bracht me tot wanhoop. De overburen waren intussen al verhuisd naar Blokker en ook ik liep hard te denken aan verhuizen. Maar ja wat dan? Een hoekhuis leek nog de beste optie want dan kon de ellende maar van één kant komen. Geen België meer, geen geren tussen de twee woningen waar we tussenin zaten en hopelijk eindelijk wat minder getimmer in de weekenden.
Onze nieuwe hoekwoning had helaas wel een open keuken, maar voordeel was dat de kamers in ieder geval niet tegen elkaar aan gebouwd waren. Het was al een gesettelde buurt, dus het allemaal nieuw verhaal zou ook niet meer voorkomen. Ook ik had ervan geleerd en bleef een beetje op de achtergrond. De buren waar ik met argusogen naar uit had gekeken leken "normaal" en dat waren ze achteraf ook. Helaas gingen die heel snel verhuizen en was aanleiding tot een periode “doorgangshuis”, waar je ook niet vrolijk van werd. Allereerst een man, een vrouw en een kind van ongeveer twee jaar. Getrouwd of niet weet ik niet en dat deed er ook eigenlijk helemaal niet toe. Wat er wel toe deed was het feit dat die kleine jongetje kans zag de hele nacht te gaan liggen huilen en gillen, waardoor de moeder uit wanhoop met de deuren ging lopen smijten en dat pa zich daar dan met zijn beslist niet zachte stemgeluid ook eens mee ging bemoeien. De eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik daar dank zij mijn oren praktisch geen last van had maar mijn mede gezinsleden des te meer. Daarbij had buurman nog een andere onhebbelijkheid die mij wel mateloos ergerde. Hij parkeerde zijn grote gifgroene bestelbus precies bij ons voor de ramen, zodat ons alle uitzicht ontnomen werd. Doch dank zij de nachtelijke herrie werd dat probleem snel opgelost. Pa was het na een klein half jaartje helemaal zat en nam de kuierlatten. Hij is nooit meer gezien en enkele maanden later stond het huis weer te koop.

Het volgende echtpaar was een toppertje. Zij hebben het ook het langst naast ons uitgehouden. Het begon niet zo goed, want toen ze kwamen hadden ze nog een hond die beslist niet alleen kon zijn. Dus als zij hem even alleen thuis lieten, zat dat beest de hele tijd te janken in het huis. Ook in de tuin was hij nauwelijks stil te krijgen. Doch de geboorte van hun eerste kindje loste alles op want hij was jaloers op de baby en moest met veel verdriet naar een ander familielid verhuizen. Later kwamen er nog twee kindjes en het werd zowaar een behoorlijk kinderrijke buurt. Het was een geweldige tijd. Appeltjes gevechten over de schutting, barbeque in een van de tuinen en gewoon alles wat normaal het leven met buren zo gezellig maakte. We liepen elkaar absoluut niet voor de voeten maar als er wat was dan konden we een beroep doen op elkaar. Het meest dwaze voorval was in de zomervakantie. Dat jaar hadden de buren twee Marokkaanse meisjes in huis genomen waarvoor zij als gastouders fungeerden. Die meisjes gingen natuurlijk ook met onze kinderen om. Op een gegeven moment kreeg ik een tip van de buurvrouw dat ze ontdekt had, dat de meisjes onder de hoofdluis zaten en of ik ook bij mijn kinderen eens even moest controleren. Het verhaal alleen bezorgde mij natuurlijk al jeuk op mijn hoofd en hoewel ik nog nooit met die beestjes in aanraking was gekomen hoefde ik niet lang te zoeken. Jahoor, bingo, het loopt, heeft vleugeltjes en het jeukt verschrikkelijk, zeker als je weet dat je die bewoners op je hoofd hebt. Niet alleen de kinderen maar ook ik vond ze overal in mijn haar. Gerverderrie, wat moest je daar nu weer aan doen. Hoewel het eigenlijk onzin was schaamde ik me dood om naar de drogist te gaan om een hoofdluis middel te gaan kopen. Natuurlijk heb ik dat wel gedaan en na vele malen behandelen en uitkammen zijn we er allemaal wel weer afgekomen, maar het was best een jeukerige ervaring. Komen de meeste kinderen er van school mee thuis, nee hoor wij hadden zoiets midden in de zomervakantie. Toch was het een mooie tijd, die abrupt eindigde toen zij verhuisden naar Het Gooi. Dat is ook de enige keer dat ik wel even moest slikken toen er buren weggingen, en sterker nog, ik hield het zelfs niet helemaal droog. Nummer vier in het rijtje van onze buren was een man met een zoontje van een jaar of zes die altijd vreselijk liep te vloeken. Hij zoop als een ketter en als hij dronken was kon hij zijn handen ook niet thuis houden. Een moeder kan ik me niet herinneren, maar Karel zegt me dat hij zich herinnert dat zij verrot werd gescholden in de achtertuin. De meest angstige ervaring was op een dag dat ik die kleine jongen in de schuurgang argeloos vroeg of hij gevallen was, want zo zag hij eruit. Hij gaf zonder schroom toe dat zijn vader hem sloeg, terwijl die juist de schuur uit kwam en het hele gesprek gehoord moest hebben. Stom van mij, maar aan die mogelijkheid had ik geen moment gedacht. Schreeuwen en vloeken ja, maar je kind in elkaar slaan! Ook durfde ik, laf dat ik was, op dat moment geen stappen te ondernemen, omdat hij wist dat ik op de hoogte was, zodat het een koud kunstje was om te weten wie hem had aangegeven. Trouwens niemand in de straat deed wat. Ze kletsten onderling, hadden medelijden met mij omdat ik er naast zat, maar negeerden mijn verzoek om hem aan te geven omdat ik het niet wilde doen omdat ik er pal naast zat. Het nummer van de kinderbescherming lag sindsdien wel op mijn bureau en als ik zelf zou hebben gezien dat hij zijn kind mishandelde had ik wel gebeld. Tot mijn grote opluchting heeft waarschijnlijk de school van die jongen de nodige instanties aan het werk gezet en was het hele gezin ineens met de noorderzon vertrokken. De laatste bewoners in die hele rij die wij meemaakten was een gezin die een taal spraken die ik eerst helemaal niet thuis kon brengen. Uiteindelijk bleken het portugezen te zijn. Hij sprak redelijk nederlands en werkte ergens in de bouw. Het waren heel rustige mensen die bijna nooit thuis waren. Wat een rust na dat gevloek en getier. Zo kon het dus ook! Uiteindelijk zouden we daar nog maar kort van genieten, want wij wisten al dat het eind van onze Bovenkarspelse periode in zicht was. Na enkele maanden verhuisden we naar Opperdoes waar het begrip buren ineens een heel andere betekenis kreeg.
Zie ook Buren-2

Geschreven: Opperdoes, 28 september 2006
Dagtekening: 1971-1998

Hoezo "Anglofielen" ?




Dit zijn eigenlijk wel twee heel bijzondere foto`s in mijn collectie. Iedereen kent wel de vorm van het eiland van Groot Brittannië en als je dan een schuine lijn trekt van linksonder naar rechtsboven dan heb je aan het uiteinde van die lijn aan de kust de plaatsen waar deze foto`s genomen zijn.

De eerste is op 3 september 2000 genomen op in Lands End in het uiterste zuidpuntje van Cornwall en de tweede op 19 juni 2003 bij John O’Groats in Caithness in het uiterste noordoosten van Schotland. Beide plaatsen om nooit te vergeten. In het zuiden was het een kermisachtige vertoning waar het stervensdruk was en in het noorden stormde het zo erg dat de boot naar de Orkney eilanden het bijna liet afweten. Dat lag ons eigenlijk veel beter.

Toch hebben we de Orkney eilanden bereikt. Daar heb ik in Skara Brae de best bewaarde neolitische
nederzetting bekeken die tot nu toe gevonden is. Je kan zelfs in de huizen lopen. Sommige huizen zijn zo goed bewaard gebleven dat slechts het dak verdwenen is, maar verder was het stenen gedeelte van het huis helemaal intact. Het gaf me een eigenaardig gevoel om te lopen op dezelfde grond en stenen vloer waar vijf eeuwen geleden ook mensen hadden geleefd en gelopen. Dan gaat mijn fantasie toch aardig 
met me aan de loop hoor. Hoe zouden ze geleefd hebben?, Hadden ze ook van die dagen dat niets lukt, vertelden ze elkaar moppen, gingen ze bij elkaar op visite, etc. etc. Via verdere opgravingen is er wel wat bekend van hun levenswijze maar ja dat kan je toch niet controleren en vragen aan die mensen kan je het al helemaal niet. Dit is een van mijn foto`s van een huis, waarop je duidelijk kunt zie waar de slaapplaats was. Verder in het midden de plek waar het vuur gestookt werd. Het ziet er zo allemaal niet zo comfortabel uit, maar met alles erop en eraan zal het best een fijn huis geweest zijn. 

De terugweg met de boot was nog erger. De golven sloegen over de boot heen en alle kinderen die nog op het dek stonden moesten naar beneden want anders zouden ze overboord slaan. Toch is dat weer geen uitzondering daar. Niet voor niets is, “Sorry for the weather”, een veelgehoorde uitspraak van de "locals". Van mij hoeft dat sorry echter niet, het was geweldig, en dit bezoek staat nog steeds in de top
drie van mijn vakantie-ervaringen.



Geschreven: Opperdoes, 5 september 2005
Dagtekening: 3 september 2000 en 19 juni 2003.

Alles okee !!


In 1970 kochten wij, in navolging van velen die groot Amsterdam niet meer zagen zitten,  ons eerste huis in Bovenkarspel. Spannend werd het toen we een halfjaartje na de koop het resultaat gingen bekijken van de werkzaamheden die bouwbedrijf Scholte uit Andijk verrrichtte. De contouren van het huis en de straat werden zichtbaar en natuur lijk werd alles gefotografeerd.

De reis er heen was een wereldreis. De trein, die dankzij onze keuze van lokatie aardig in de buurt kwam was nog het minste probleem. Eenmaal uitgestapt, stond je daar. Het oude station Bovenkarspel-Grootebroek was nog aanwezig, maar was helaas toen al een bouwval. Toch kon je nog zien hoe mooi dat vroeger moest zijn geweest. Verder was er bijna niets in de omgeving. Vijfhonderd meter verderop kwam je in de Hoofdstraat, de hoofdweg die die langs de lintbebouwing tussen Hoorn en Enkhuizen lag.

Aan de zuidkant van het station lag de vaar-groenteveiling met zijn karakteristieke bruggetjes, een veilinggebouwtje en drie grote lange loodsen. Dan hoofdgebouwtje was een juweeltje, de boten voeren naar binnen en vanuit de boten werd degroente geveild. Het gebouwtje is tegenwoordig alleen nog, bijna identiek, terugvinden bij het museum De Broeker Veiling.

Maar hoewel je de nieuwbouw zag liggen vanaf het station was het een mijl op zeven om er te komen. Via de Hoofdstraat, Broekerhavenweg en een stel bouwstraten die later de La Reinelaan zouden worden, kwam je uiteindelijk op de Hugo de Grootsingel terecht. Als je daar stond kon je vanaf die plek helemaal naar de spoorlijn en het oude dorp kijken, iets wat je je nu niet meer voor kan stellen. Daar aangekomen had je vijf kilometer gelopen en van openbaar vervoer was natuurlijk geen sprake. Het tweede station van Bovenkarspel was ook geen optie want dat was toen alleen tijdens de Westfriese Flora open en dat was zegge en schrijve één week in februari. We zijn dan ook tijdens de bouw niet zo vaak gaan kijken als we wilden. Het was echt geen doen. Toen we er eenmaal woonden was het probleem ten dele opgelost, want toen hadden we fietsen binnen ons bereik.

Maar het bleef het probleem als er eens autoloze visite kwam en in de tijd dat wij een kind hadden in een kinder- of wandelwagen was een fiets ook geen optie. Toch vonden we uiteindelijk een "oplossing" voor die enorme afstand. Het was mogelijk om over het veiling terrein aan de achterkant van het station te komen. Dan moest je alleen het spoor nog oversteken, wat natuurlijk ook niet toegestaan was. Overdag was dat allemaal niet zo`n probleem, de veiling was in bedrijf en open, en hoewel het eigenlijk verboden was, werd het oogluikend toegestaan, dat je door de hallen van de veiling naar de nieuwbouw liep. Toch herinner ik me de boze blikken nog en ik weet nog goed dat ik me eigenlijk helemaal niet op mijn gemak voelde. De capriolen die we `s avonds moesten uithalen om over het veiling terrein te komen zijn te gek voor woorden, en ik zou ze heden ten dage echt niet meer willen uithalen. Die veiling, na zessen natuurlijk gesloten, bestond zoals ik al zei, behalve uit het hoofdgebouwtje vooraan, uit drie grote ca. 100 meter lange loodsen die omgeven waren door brede vaargeulen. Buitenlangs die loodsen liep een smalle rand van twee straattegels breed plus een kleine betonnen randje. Daar kon je dus net op lopen. Drie of vier keer lag er over die rand heen een dikke ronde pijp, waardoor het regenwater van het dak naar het de vaargeul stroomde. Daar moest je dus wel overheen stappen om droog te blijven. Vervolgens liep je dan over het hoofdplein, bruggetje, stak je het spoor over om bij het station te komen. Bij licht was het nog wel te doen, maar ik laat je raden hoe dat op een donkere winteravond ging. Karel vertelt zelfs dat hij eroverheen ging met een wandelwagen op twee wielen, Dat kan ik me niet meer herinneren, maar ik neem aan dat ik dan met een kind op mijn arm diezelfde richtel "nam". Met visite hadden we een andere afspraak. We brachten ze altijd weg totaan de veiling. De visite nam de richels en meldde zich met een "alles Okee !" als zij droog aan de andere kant van de loodsen gearriveerd waren. Gerustgesteld konden wij en zij dan huiswaarts keren.

Nu is alles totaal veranderd. Bovenkarspel is Stede Broec. Een groot winkelcentrum ligt bijna op de plaats van het oude station. Het tweede station is intussen ook al weer buiten dienst en de nieuwbouw van toen is een grote stad geworden ontsloten door een brede brug en overweg.

De vaarveiling trof een heel slecht lot. In de nacht van 3 naar 4 oktober 1987 is hij tot de grond toe aan afgebrand. Toch zo heel af en toe als ik de overweg over ga, denk ik nog wel eens aan deze veiling met zijn bloemkoolbootjes en vooral aan onze halsbrekende toeren in het donker op een smal randje waarbij je door een misstap in het koude water zou belanden.





Geschreven: Opperdoes, 18 augustus 2009
Dagtekening: 1969-1975
















zondag 1 september 2013

Langs de spoorlijn Hoorn-Medemblik

Geschreven: 1 september 2013
Dagtekening: Opperdoes 1910-2013

Dat overkomt niet veel mensen, dat er een tentoonstelling wordt ingericht waarin jouw huis centraal staat en vandaag was ik eindelijk in de gelegenheid om eens te gaan kijken bij de expositie van de Stichting Historisch Opperdoes die met hun minitentoonstelling "Langs de spoorlijn Hoorn-Medemblik" . Ik wilde het al zo lang, maar telkens kwam er iets tussen. Vakantie, verjaardagen en vooral het zomerseizoen bij de toeristische spoorlijn zelf, waardoor ik iedere keer naar Hoorn heen en weer moest om mijn echtgenoot naar zijn vrijwilligersklussen te brengen. Ook vandaag was het weer raak, maar ik heb hem gezegd dat hij maar even moest wachten, want nu wilde ik er toch echt even heen. Ik hoopte op wat onbekende foto`s vanuit de tijd dat wij er nog niet woonden en gelukkig vond ik er een paar die ik de moeite waard vond. Om er thuis nog eens lekker van te genieten heb ik de foto`s op de foto gezet. Niet de beste kwaliteit, maar prima om te zien.


Zo zag het er bij ons in 1915 uit. Er is eigenlijk niet zo gek veel veranderd, behalve dat er nogal wat huizen zijn bijgekomen. Het station, perron, en de spoorlijn zijn er nog steeds. Zelfs de telegraafpalen zijn er weer. Wat een moed van Sientje Bos om haar was buiten te hangen. Er is weinig fantasie voor nodig om je voor te stellen hoe die blinkend witte was eruit ziet als er een stoomtrein is langsgekomen, dus ik neem aan dat ze goed op de hoogte was van de dienstregeling. De informatie onder de foto is ook niet slecht. Naar aanleiding van de telegraafpalen en telefoonlijn die op de foto te zien, geeft het bordje ook aan dat er in dat jaar in Opperdoes al 4 telefoonaansluitingen waren. Wie dat waren?, Laat me eens een gok doen. De burgemeester, de notaris, de dominee en de pastoor. Hoewel een pastoor in Opperdoes, dat lijkt me niet, dus het zal de politie-agent wel geweest zijn.

Een tweede foto vond ik ook een juweeltje. Tijdens mijn bezoek aan de tentoonstelling hadden we er al een discussie over. Volgens kenners klopt er iets niet op de foto en hoewel ik eerst niet zoveel bijzonders in zag, zie ik het nu ook. Er klopt er inderdaad iets niet aan het geheel. Het huis met de pyramide-vormige dak kan nooit hetzelfde zijn als wat nu op de hoek Zwarte pad/Almersdorperweg staat, of de fotograaf heeft wel een heel bijzondere truc uitgehaald. Photoshoppen bestond nog niet, dus het moet een boerderij zijn, die intussen is afgebroken. Wel toevallig dat het zoveel lijkt op het huis wat nu op de hoek staat, dus helemaal snappen doe ik het toch niet.

Ook hier is staat bij de foto voor mij nog wat nieuws. Ten eerste wist ik niet dat die sloot, die in 1998 omgebouwd is tot "vijver" een naam had. Tw. "De mollengrippel" met zijn karakteristieke "stoep" staan hier duidelijk op de foto. Ten tweede het grote bord met de tekst "Waterplaats" wat hing op het schaamschot bij de retirade. Het bord bestaat helaas niet meer, maar de retirade zelf is op de steen nauwkeurig herbouwd in 1995. De foto moet van na 1921 zijn geweest, want toen is de aanbouw van de keuken gerealiseerd. Ook heeft men toen helaas het kleine ronde raampje met glas in lood boven de aanbouw vervangen door een groter. Dat is me bij de stoomtram verteld. Jammer dat het allemaal weg is. Wel heerlijk nostalgisch zijn die gordijntjes in zandlopervorm. Dat is voor mij een echte jeugdherinnering, want mijn moeder had toen ik klein was zo`n 200 km zuidelijker ook voor de ramen hangen.


In 1968, dus een crisis, wereldoorlog II en de wederopbouw later, ziet het er behoorlijk uitgekleed uit. Weg is het hek, opgestookt in de oorlog?, weg is de retirade, had men de stenen nodig? en het perron ziet er ook uit, alsof het jaren niet is gebruikt. Alles ziet er wat sjofel uit. Geen wonder want de lijn werd al jaren niet gebruikt. In 1968 startte men met stoomtramritten en kwam er weer leven in de brouwerij. Voor het station zou herstel helaas nog jaren duren; lange jaren van leegstand en achteruitgang. April 1998 pas betrokken wij de woning, na een precicieuze renovatie, waarbij de uitvoerders de tweede foto van dit stukje ferm in hun achterzak hadden zitten. Zelfs de buitenlampen zijn hetzelfde.

Het overgrote deel van de tentoonstelling toont dus foto`s vanuit de tijd, die ik zelf hier heb meegemaakt. Ook veel foto`s waren van mij. Geen wonder want ik zat altijd vlakbij als er iets gebeurde en soms werd ik zelfs ingeseind dat ik even mijn mijn fototoestel op het perron moest gaan staan, of uit het raam moest gaan hangen. Daarom vind ik het ook superleuk dat nu blijkt dat ik dat allemaal niet voor niets heb gedaan.

donderdag 1 augustus 2013

Toeval bestaat niet

Geschreven: 31 juli 2013
Dagtekening: 31 juli 2013

De afgelopen week had ik Geert Mak in mijn oor. Ik luisterde naar het audioboek: "Hoe God verdween in Jorwerd" en dat geeft een boeiend verslag over de veranderingen op het friese platteland vooral in de laatste 100 jaar. Jorwerd [of Jorwert, zoals het in friese taal wordt geschreven] is een heel klein dorpje zo`n 12 km ten zuiden van Leeuwarden en heeft zelfs heden ten dage slechts 320 inwoners. Tijdens het luisteren van dit boek groeide mijn interesse in die streek best wel en ik nam me voor er op een verloren dag maar eens een kijkje te gaan nemen.

Niet alleen het boek maar ook "family-roots" waren een aanleiding die kant op te gaan. Met een schoonvader, die was opgegroeid in het naburige Warga en een echtgenoot die door bezoeken aan grootouders en verdere familieleden, het platteland daar zo`n 50 jaar geleden zelf heeft meegemaakt, legden ook een behoorlijk gewicht in de schaal. Vanmorgen stapten we dus samen in de auto en reden de afsluitdijk over richting Friesland. De tomtom stond ingesteld op "vermijd snelwegen" en dat garandeert altijd een supermooie rit door allemaal kleine dorpjes. Na eerst aan de friese kant een stuk langs de IJsselmeerdijk te zijn afgezakt staken we schuin door naar het noordoosten en toen we tussen Bolsward en Sneek onder de A7 door waren gereden kwamen we in de buurt.

Maar voordat we er waren ging er nog een lang gekoesterde wens van mij in vervulling. We kwamen op een t-kruising en ik wist met de beste wil van de wereld niet of ik links of rechtaf moest. Op het bord voor me stonden twee namen van dorpjes die ik [noch Karel] geen van twee kende. Vraag me niet waarom, maar ik sloeg zonder aan een tomtom te denken, impulsief rechtsaf. Na een kilometertjes of twee zag ik een afslag naar links richting Wieuwerd [of Wiuwert, zoals de friezen zeggen] . Hee, dat kende ik, daar had ik een jaar of vijf geleden voor het kerkje gestaan om de mummies te bekijken die daar in de kelder lagen. Het was toen duidelijk de verkeerde tijd want er was in de verre omtrek geen mens te zien, laat staan dat de kerk open was. Nu zag het er allemaal wat beter uit, want zowel het hek als de deur waren open. Er stonden zelfs fietsen, dus ik aarzelde geen moment, parkeerde de auto en we liepen de kerk binnen. 

Het kerkje zelf is schitterend mooi, en de vier mummies lagen elk in een houten kist met een glazenafdekplaat in de kelder van de kerk. Daar sta je dan te kijken naar mensen die 200 en 300 geleden hebben geleefd. De huid ziet er leerachtig uit en men kan nog zien waaraan ze gestorven zijn. Er gebeurt iets onverklaarbaars daar in die kelder. Zonder ingrijpen van de mens veranderden de doden in mummies. En het proces werkt nog steeds, dat hebben vele proeven naderhand bewezen. Zou men de lichamen uit de kelder halen, dan zijn ze binnen 14 dagen volkomen verpulverd, zo als helaas met zeven van de oorspronkelijke elf gevonden lichamen is gebeurd.
De resterende vier, twee mannen, één volwassen vrouw en een meisje liggen daar dus voor eeuwig gevangen in de kelder. Bizar en indrukwekkend. Verder rijdend naar Jorwerd zeg ik tegen Karel: "Toeval bestaat niet, dat moest zo wezen, dat ik rechtsaf sloeg. Ik wilde dit al zolang, maar dat ik er nu zo dicht bij was, had ik echt niet in de gaten.








Verder rijdend kwamen we in Mantgum, waar we de spoorlijn Leeuwarden-Sneek passeerden. Gewoontegetrouw rij ik even naar het station, wat wel een erg luxe benaming is voor de kleine halte aan deze rustige lijn. Op mijn vraag welke maatschappij hier rijdt, zei Karel Arriva en hij liep richting perron in de hoop een blik van de treinen op te vangen. Op onze wens begonnen de overwegbellen te rinkelen en even later kwamen er van beide richtingen treinen aan in de kleurige rood/witte Arriva kleuren. Toen was het Karel`s beurt om te zeggen "Toeval bestaat niet" . Het lot was ons wel heel erg gunstig gezind die dag. Voor hetzelfde geld is er in geen velden of wegen een trein te bekennen.

Jorwerd stelde beslist niet teleur. Dit is nog één van de weinige plekken in Nederland waar ik rustig de auto midden op straat
kan zetten om even op mijn gemak een foto te maken. Het plaatsnaambord, de dorpskroeg "Het wapen van Baarderadeel" [dat in de verhalen van Geert Mak nogal eens de hoofdrol speelt] , het voorname notarishuis en de brug. Het is er nog allemaal, Aangevuld met het schitterende weer en de kleurenpracht van de bloemen in de tuinen en aan de gevels gaf het het dorpje een heel rustieke uitstraling. Toch kregen we nog een extraatje dat zelfs in de tijd waarover Geert Mak schreef nog niet was uitgevonden. Tot mijn stomme verbazing zag ik antiparkeerpaaltjes, sommige bomen en de brug helemaal versierd met kleurige haak- en breisels. 




Toen was het dus weer mijn beurt. "Toeval bestaat niet, want hoe is het mogelijk dat ik juist nu ik me ongans zit te werken voor de wildbrei-aktie in Hoorn, een uitbarsting van wilbreien tegenkom, hier in dit kleine dorpje Jorwerd.



maandag 29 juli 2013

Het plekje bestaat echt

Geschreven: Bovenkarspel, 22 augustus 2009
Dagtekening: augustus 2002 + augustus 2004

Af en toe baal je wel eens van al die treinen. Het is in mijn ogen veel van hetzelfde en veel te veel techniek.Ik hou meer van plekjes die iets te vertellen hebben of plekjes waar in het verleden iets gebeurde wat in mijn ogen van belang is geweest. Dus na drie dagen Bluebell Railway wilde ik in Zd. Engeland wel eens iets anders. Als je al ter plekke bent is het lastig naar iets te zoeken op internet, dus viel ik terug op mijn vroegere methodes. Plunder het folderrek van de B&B of bestudeer de ansichtkaarten bij de plaatselijke middenstand. Hoe ik er precies ben achtergekomen weet ik niet meer, maar ineens was daar Hartfield op een steenworp afstand van Sheffield Park.

In augustus 2002 waren we met z`n vieren bij de Bluebell Railway en was ik zo stom om met z`n allen naar de poohbridge te gaan zoeken. Dat moet je dus nooit doen met twee kerels die liever treintjes kijken dan door een bos sjouwen om een bruggetje te gaan zoeken waar toevallig wat stripfiguren zouden hebben rondgehangen. Ook de druilerige regen maakte de zaak niet aantrekkelijker. Ik vond via nogal vage aanwijzingen op een Aviertje, midden in het bos, de parkeerplaats. Hier stond een klein onduidelijk houten bordje met de vermelding "pooh bridge" wat je het bos in stuurde. Nummer één [Arie] van onze groep hield het op de parkeerplaats al voor gezien en bleef in de auto zitten. Al glibberend gingen wij drieën het bospad op en liepen zowat een kilometer of twee, waarna nummer twee [Karel] het opgaf, mede door het feit dat nummer één eigenlijk wel lang in die auto zat in zijn eentje. Richtingbordjes zagen we niet meer en na nog een stuk wandelen en glibberen kwamen we weer op de weg uit, die we verlaten hadden toen we de parkeerplaats opdraaiden. In mijn gevoel hadden we een behoorlijke omweg gemaakt om een klein stukje verder weer op die weg uit te komen. De wetenschap dat die twee mannen in de auto op ons zaten te wachten met een redelijk voorspelbaar humeur en het feit dat we nu helemaal niet meer wisten hoe we verder moesten was een goede aanleiding om de hele zoektocht maar te stoppen. We dropen letterlijk en figuurlijk af om door het bos weer terug te keren.


Om onszelf te troosten hebben we toen maar een
bezoek gebracht aan het schattige winkeltje van
"Pooh Corner" waar we een flinke voorraad
borduurwerkjes van Winnie the Pooh hebben
ingeslagen. Natuurlijk waren Suzanne en ik helemaal niet tevreden en de jaren daarop bleven we steeds maar herhalen dat we terug wilden, uiteraard met z`n tweeën, om opnieuw te proberen het bruggetje te zien.

In 2004 was ik weer bij de Bluebell Railway, toen waren we met z`n drieën en helaas zonder
Suzanne. Op een ochtend heb ik, Karel en Arie bij de treinen achtergelaten en ben weer op zoek gegaan.
Het instructieblad om er te komen was nog precies hetzelfde en zonder problemen vond ik de parkeerplaats. Gelukkig had het niet geregend maar het was bloedheet, wat echter in een bos niet zo erg is. Ik liep weer tot de plek waar we het hadden opgegeven en kwam toen gelukkig iemand tegen die ik de weg kon vragen. Het was toch goed en een metertje of dertig verder langs de weg moest ik weer het bos in. Dat hadden we toen niet gezien. Na een kilometertje of drie was hij daar ineens. De "Poohbridge".

Het was er best druk. Ik stond mijmerend op de brug en dacht aan het verhaaltje waarin Winnie de Pooh op deze zelfde plek zijn sparappel in het water liet vallen en languit op de brug ging liggen om te kijken hoe hij aan de andere kant weer onder de brug te voorschijn zou komen. Hij maakte er een spelletje van. Dat was het begin van de gewoonte van de kinderen om zg. "poohsticks" in het water te gooien en dan hetzelfde te doen wat Winnie deed. Ook zag ik in gedachte Eeyore rondjes draaien, liggende op zijn buik in het water. Het plekje was zo idyllisch dat ik goed kon begrijpen dat A.A. Milne hier inspiratie kon vinden om zijn

verhalen te schrijven. Het deed me allemaal wel wat. Op de terugweg raakte ik de weg kwijt en toen ik helemaal euforisch terugkwam in Sheffield Park kreeg ik de wind van voren. De heren hadden bijna hun trein gemist, "Nou ja zeg!", was mijn reactie voor de lieve vrede maar in gedachte "Dan waren ze toch alleen gegaan, ik hoef toch hun hand niet vast te houden". `s Avonds in de B&B deden ze er nog een schepje bovenop. Toen ik ze liet zien wat ik die dag gedaan had was de kritiek helemaal vernietigend. Keihard lachend was hun commentaar, “Hahahah, zoveel moeite voor zo`n stom bruggetje!”.

Tekstverwerken

Geschreven: Opperdoes 2 maart 2008
Dagtekening: 1965-1967

Steeds als ik verhaaltjes zit te maken, realiseer ik me terdege de weelde van een tekstverwerkingsprogramma op mijn computer en soms zo heel af en toe als ik de backspace-toetsgebruik denk ik nog wel eens terug aan de ellende van die schrijfmachines tijdens mijn kantoorjaren.

Wat verschil is dat ten opzichte van het werk wat ik moest verzetten om een orderbevestiging van 8 kantjes te maken bij Honeywell B.V. mijn toenmalige werkgever. Een orderbevestiging was een document, waarin de hele order van een klant, die tijdens een telefoongesprek of bezoek van een verkoper was overeengekomen, op schrift gesteld werdt en waarmee vaak grote bedragen gemoeid waren. Dus begrijpelijkerwijs was dit een document ook beetje het visitekaartje van het bedrijf en moest het er netjes en foutloos uitzien. Daarom mocht het ook geen ingetikte standaardbrief zijn, wat inhield dat je met een smetteloos wit vel moest beginnen. Om het nog een beetje gecompliceerder te maken moest die orderbevestiging natuurlijk copieën hebben dus was een doorslag van vier of meer bladen niet ongewoon. In het begin tikte ik nog op een “gewone” schrijfmachine [zie foto met esperantiste Enid] , waarbij je aan het eind van de regel met een grote zwaai de wagen weer naar links bracht en later heb ik ook wel getikt op elektrische schrijfmachine`s die, vooral met veel doorslagen, vanwege de kracht, waarmee de letter tegen het lint kwam, een echte verbetering was. Maar electrisch of niet, voor die onvermijdelijke tikfouten maakte dat niet zo heel veel uit. Het maken van zo`n document was verre van eenvoudig. De tekst ervan was meestal in het engels, vaak stonder er kolommen in, waarbij de letters of getallen netjes onder elkaar moesten staan, en natuurlijk stonder er veel aparte onderdelen in vermeld, die allemaal hun eigen gecompliceerde typenummers bevatten. Je begon met goede moed. Het origineel legde je als eerste met de goede kant naar onder op het bureaublad, dan een carbonpapier, met de carbonkant naar boven en vervolgens het flinterdunne doorslagpapier. Die laatste twee bladen herhaalde je totdat het gewenste aantal copieën bereikt was.

Natuurlijk kon je niet oeverloos doorgaan en zover als ik me nu kan herinneren was een stuk of vijf wel de limiet, want dat was bij elkaar al elf velletjes. Uiteindelijk kon je dan al die bladen boven in de schrijfmachine steken. Om het hele pak langs de rol van die wagen te draaien zodat alle vellen recht boven elkaar bleven liggen vereiste de nodige handigheid, want deed je dat niet goed dan had je snel een verschil van een centimeters tussen het origineel en de laatste doorslag. Legde je het carbonpapier verkeerd om was het effect ook heel verrassend. Of je tekst stond in spiegelschrift op de achterkant van je origineel, of je had doorslagen die alleen te lezen waren als je ze met de witte kant naar je toe tegen het licht hield. Behalve dus dat je het carbonpapier de goede kant op moest leggen had het nog een vervelende onhebbelijkheid. Het was ongelofelijk smerig. Vieze vingers had je snel en zolang het bij die zwarte vingers bleef was het niet zo erg, maar natuurlijk zat die rommel in no time op je werk. Toch was dat allemaal heel simpel ten opzichte van het verwijderen van een tikfout. Daarover kan ik kort zijn. Dat ging gewoon niet en er was maar één nette oplossing. “Overnieuw beginnen”.

Jawel er bestond schrijfmachinegum. Waarom dat altijd rood was zal ik wel nooit te weten komen, want dat gaf in mijn idee nog sneller een smerige vlek dan iets dat kleurloos zou zijn. Later kwam het gum in potloodvorm wat bij kleine foutjes nog wel eens te gebruiken was. Natuurlijk was zo`n tikfout nooit alleen, want die zat ook op alle doorslagen die je achter je werk had zitten en ging je daarop zitten gummen dan bleef het echt niet bij een klein vlekje of een beetje vieze vingers. Meestal liet ik de fouten op een copie maar ongemoeid want deze waren voor intern gebruik, maar dat had weer het nadeel dat al je collega`s ongezouten op de hoogte kwamen van jouw tikcapaciteiten. Nog later kwam er typex. Eerst in kleine velletjes, waarbij je eerst de foute letter nogmaalt tikte op zo`n papiertje waardoor de foute letter met witte poeder gevuld werd. Daarna tikte je de goede letter eroverheen. Later kwam er vloeibaar typex, wat uiteindelijk nog het beste resultaat gaf, maar echt mooi werd het nooit. Ook waren beide methodes zinloos als je niet met wit papier werkte. Het uur der waarheid kwam als het document af was en je het ter ondertekening aan je baas moest presenteren. Dat was superspannend. In mijn herinnering ontaardde het tikken van een orderbevestiging voor mij dan ook in een geestelijke kwelling waarbij de spanning bij het naderen van het einde van de bladzijde hoog opliep. Het vervelende daarvan was weer dat je juist door die spanning tikfouten ging maken, waarbij ik als het ware in een visueuze cirkel belandde. Een vervelende situatie waar ik nog wel eens aan terugdenk. Gelukkig had ik ook nog ander werk want hoewel ik me achteraf leukere baantjes had kunnen bedenken, zou het zonder dat wel heel vervelend geweest zijn.

Toen ik in 1963 begon was het bedrijf me niet geheel vreemd. Door bemiddeling van een huisvriendin van mijn ouders, kon ik er in de lange vakanties gedurende mijn MMS tijd voor enkele weken aan de slag. Op die manier leerde ik Honeywell N.V., een amerikaans bedrijf in bedrijfssysthemen, goed kennen, want ik kwam ieder jaar op een andere afdeling terecht. Toen ik er in 1963 voor vast begon was het een van de weinige bedrijven waar je een vrije zaterdag had en aangezien ik na mijn schooljaren en een jaar “Schoevers” nog steeds geen flauw benul had wat ik moest gaan doen, was ik blij met die oplossing. De leukste periode was op de afdeling “Microswitch” waar ze minuscule schakelaartjes verkochten en de vertegenwoordigers in de buitendienst kwamen terug met allerlei verhalen wat één kapotte schakelaar soms in een bedrijf konden verstoren. Hiervan herinner ik me één voorbeeld, nl bij een kippenverwerkingsbedrijf bleef de band met dode kippen rustig doordraaien en was niet te stoppen. IBM was een van de grote klanten die met hun slogan “Think” toen al baanbrekend werk deed op het gebied van computers. Ze bestonden al wel maar het verschil was dat je voor z`n ding toen een hele kamer nodig had, terwijl je hem nu op je schoot hebt.

Nu kunnen we dus tekstverwerken. Voor mij kwam het allemaal een beetje laat, hoewel ik er nu ook ten volle van profiteer. Mijn typesnelheid is in al die jaren praktisch op peil gebleven en ik kan soms mijn omgeving versteld doen staan met een demonstratie blind typen. Gelukkig hebben de programmeurs het 'qwerty' toetsenbord in ere gelaten want een verandering in de volgorde van de letters zou desastreus geweest zijn. Alleen de lees- en typische computertoetsen is even wennen. Grappig is het te denken dat ik toen onbewust heb meegewerkt aan de ontwikkeling van de computers want van microswitch naar microsoft is ook maar een kleine stap.

Autorijden

Geschreven: Opperdoes, 1 november 2005
Dagtekening: 1995-2005

Wat voor de een de doodnormaalste zaak van de wereld is, is het voor een ander niet. Een waarheid die zeker opgaat voor het onderwerp van dit stukje. Maar laat ik bij het begin beginnen. Zoals ik al stelde is autorijden voor de meeste mensen de doodnormaalste zaak van de wereld. Nou voor mij niet hoor. Alles wat er gereisd moest worden ging tot 1996 altijd met het openbaar vervoer en wij als gezin wisten niet beter. Het ging meestal goed, en je kwam altijd waar je wezen moest. Misschien niet altijd even vlot en gemakkelijk, maar daar waren we aan gewend. In de meeste gevallen deed een bakje koffie wonderen als je eens moest wachten en een boek was altijd in de buurt.

Toch begon er bij mij begin jaren 90 iets te knagen. Dat had ik al wel eerder gehad, maar toen kon ik me de luxe van een rijbewijs echt niet permiteren en dacht ik er niet meer aan. In de zomer van 1995, begon ik jaloers te worden op iedereen die een rijbewijs bezat en toen tot overmaat van ramp Suzanne ook begon met rijlessen, heb ik mezelf maar eens bij elkaar geraapt. Ik was net 50 jaar geworden, en als ik niet achter de geraniums wilde belanden moest ik actie gaan ondernemen. Niet nog 5 jaar wachten, maar nu. Aan Karel had ik niets. Het kon hem allemaal niets schelen, ik moest maar doen waar ik zin in had. In juni heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben ik een theoriecursus gaan volgen. Het was een eendagscursus. Dwz. een zaterdag lang les in de stikkende hitte in een garage in Grootebroek, Oostersluis om daarna de hele materie stomweg uit je hoofd leren. De volgende woensdagmiddag
gingen we dan met de bus naar het CBR in Alkmaar om examen te doen. Tot mijn stomme verbazing had ik een maar 1 fout en was daarme een van de beste van de groep. Ha, de ouwetjes deden het nog best. Het enige wat ik me daarvan verder nog herinner is dat het in de bus terug heel wat gezelliger aan toe ging dan op de heenreis. Ja zielig voor degenen die gezakt waren, maar daar was ik gelukkig niet bij.

Nu begon het zwaardere werk. Voor mij was een auto een ding met vier wielen, waar je voor uit moest kijken, want ik wist werkelijk helemaal niets. Als een instructeur met een blanco leerling wil beginnen, dan had deze met mij de hoofdprijs. Ik had nog nooit van een koppeling gehoord en ook de witte achterlichten bij het achteruitrijden waren onbekend en zo kon ik nog wel meer voorbeelden geven. De eerste les zal ik ook nooit vergeten. De instrukteur die in leeftijd mijn zoon zou kunnen zijn reed naar de parkeerplaats aan de Prins Willem Alexanderlaan waar we oeverloos bochten gingen rijden. Ik hoefde alleen maar te sturen en gas te geven en dat was maar goed ook. Daar had ik al mijn aandacht wel voor nodig. De tweede les was eigenlijk ook alleen maar sturen en gasgeven, maar nu wel op de openbare weg. De linkerd van een Minco de Graaf, want dat was de naam van de instructeur stuurde me vanaf
Hoorn de dijk op naar Enkhuizen. Doodeng, en ook vol bochten. Achteraf blijkt dat het bij hem standaard was om de tweede les deze dijk af te zakken, want Suzanne, die ook bij hem reed kreeg in haar tweede les dezelfde opdracht. De derde keer kwam ook het schakelen erbij en dat was toch wel een van de moeilijkste handelingen om aan te leren. Als ik tegenwoordig voor een rood stoplicht sta denk ik nog wel eens terug aan die spannende tijd. Toen zag ik met angst en beven het moment aankomen dat dat licht op groen zou springen en ik moest optrekken. Ging het goed of sloeg de motor weer eens af. Nu kan ik me bijna niet meer voorstellen dat ik er moeite mee had. Het ging eigenlijk allemaal wel goed en ik vond het geweldig. De prijs van de lessen was toen 50 oude nederlandse
guldentjes per les, als je er 10 tegelijk betaalde of 65 gulden per 10 lessen per keer. Dat was toen ook al schandalig duur.

De lessen waren oergezellig en er is heel wat afgekletst in die auto over van alles en nog wat. Minco was een harstochtelijke voetballer en Ajaxfan en zijn vriendin reisde voor haar werk de hele wereld af. Ook namen Suzanne en ik wel eens lessen na elkaar, zodat we met z`n drieen op pad gingen. Meestal reed ik in Hoorn, want daar moest ik uiteindelijk ook afrijden. De hellingproef deed je op de dijk van Enkhuizen of in Hoorn bij de Vollerswaal. Dat was het meest onmogelijke en onoverzichtelijke punt van Hoorn, want dan moest je de hellingproef nemen, uitkijken of er niets aankwam, wat je alleen kon zien in de ruiten van de huizen, etc. Dat was dus een plek waar je hopelijk niet met je examen werd heengestuurd, want dan kon je het wel schudden.

In november moest ik de eerste keer opkomen. Ik vond het zelf te vroeg, maar Minco zei dat het wel kon. Nou ja de heer van de Berg, de examinator, vond dat dus niet. Ik was nog te onzeker en had de auto toch nog niet geheel onder controle volgens hem. Ik was best wel boos en het was voor mij ook een nieuwe ervaring om eens voor een examen te zakken. Dat was me nog nooit overkomen. Op 11 januari 1996 had ik meer succes. Weer dezelfde examinator, maar hij was nu beter geluimd en met de eer van de twijfel, zoals hij het noemde, wat ik niet begreep, kon ik daarna op het gemeentehuis van Stede Broec dat kostbare roze papiertje gaan halen. Alle eer aan Minco, die mij een eigenwijze maar goede leerling vond. En daar had hij ook volkomen gelijk in.

Dat dit mijn leven zo volslagen zou veranderen kon ik toen nog niet weten. Ik heb een gigantische inhaalslag gemaakt. We zijn werkelijk overal heen geweest, hebben alles en iedereen heropgezocht en konden nu eindelijk komen, waar het openbaar vervoer het aflegde. In eerste instantie alleen in Nederland en later in het buitenland, hebben we de meest mogelijke en onmogelijke weggetjes ontdekt. Deze vrijheid is geweldig en het rijden ook. Ik vind het heerlijk, ook nog bijna 10 jaar rijden en ruim 200.000 kilometer later.

Toch neemt dit stukje aan het eind een hele triest wending. Begin mei 2005 lees ik een klein stukje in de krant. "Voetballer overlijdt aan een hartstilstand". Bij de overlijdingsadvertentie zie ik het meteen. Minco 1-7-1968- 1-5-2005. Nee he, dit kan niet waar zijn. Op het moment dat ik het nu schrijf krijg ik weer tranen in mijn ogen. Dit kan niet en dit mag niet, maar toch gebeurt het. Waarom? Hij was nog zo jong. Suzanne, was totaal kapot van het bericht, want zij heeft nog veel langer bij hem gereden. Enkele dagen later zit ze bij mij in de auto. Uiteraard kwam het gesprek weer op Minco en ze zegt ineens tegen mij "Mam, nu moeten we wel erg netjes gaan rjiden hoor, want er wordt op ons gelet. Minco ziet alles van boven". Deze opmerking zal ik nooit meer vergeten. Natuurlijk mopper ik nog steeds op mijn medeweggebruikers. Als ik dat niet zou doen ben ik ziek, maar ik toch hou ik altijd rekening met het feit dat ik van bovenaf in de gaten gehouden wordt,