Vanaf 2005 schrijf ik korte stukjes in dit digitale dagboek. Dat kunnen er drie per week zijn, maar soms ook, schrijf ik maanden niet. Waarover ik schrijf, dat kan vanalles zijn. Heel persoonlijke dingen, wanneer ik niet lekker in mijn vel zit, herinneringen uit mijn jeugd en de tijd dat we met onze kinderen als gezinnetje samenwoonden, vakantie- of dagtripverhaaltjes, maar ook gekke, droevige of gewoon dagelijkse dingen die ik om mij heen registreer en waarover ik het leuk vind iets te schrijven. Op de foto hierboven sta ik, in de zomer van 1987 in de tuin van één van de grote herenhuizen in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Daar stond een grote "spiegelbol", waarmee ik mezelf op de gevoelige plaat zette. Een selfie dus van ruim 35 jaar oud en ook van ver voordat dat het woord "selfie" werd uitgevonden. Erg scherp is de foto helaas niet, maar ja, wat kan verwachten van zo`n oude foto, die al heel wat heeft meegemaakt vanaf een opname op een 35 mm fotorolletje tot een computerbestandje in het digitale tijdperk. Toch vind ik hem nog steeds de moeite waard om hem eens in het zonnetje te zetten.

dinsdag 31 januari 2017

Southern at war

Rondlopen in een filmset, dat is de beste beschrijving van het "Southern at War event" dat ik de afgelopen zaterdag en zondag heb meegemaakt bij de Bluebell Railway in East Sussex in Engeland. Nog nooit heb ik een evenement bijgewoond waar ik zo realistisch de sfeer van de tweede wereld oorlog heb kunnen ervaren en hoewel sfeer een gevoelsuiting is die bijna niet te beschrijven valt, ga ik het toch proberen.

Die beklemmende jaren `39-45 heb ik gelukkig niet meegemaakt, want 13 dagen na mijn geboorte was er vrede, Toch ben ik er zeer intensief mee opgegroeid. Via boeken, films en later televisie heb ik veel van die tijd geleerd en het meeste heeft een diepe indruk bij me achtergelaten. Vele films heb ik gezien Nederlandse zowel als buitenlandse. Daarnaast heb ik door mijn voorliefde voor BBC programma`s en de vele reizen naar Engeland veel van de geschiedenis en cultuur meegekregen. Vandaar dat het Warweekend voor mij een al al herkenning was.

Ik zag het al van verre. Een cantinewagen en twee jeeps en stonden voor het station Sheffield Park, De chauffeuse met rode pet stond ernaast. Op alle drie stations stapte je terug in de tijd van de 40-ger jaren. De schuilkelders werden aangegeven en op allerlei muren werd gewaarschuwd voor de vijand. Militairen van allerlei rangen en standen liepen al dan niet met hun liefje af ten aan en ook de Home Guard was ruim aanwezig. Ook was men voorbereid op een vijandige aanval want alle ramen waren afgeplakt. Het personeel van het station liep ook met de specifieke ronde helm op het hoofd. Toen de trein kwam binnenrijden zag je hoe de hoge militairen hun kranten dicht sloegen en snel uitstapten. Op het perron was het een drukte van jewelste. Ten bate van de RAF stonden huisvrouwen met hun bloemetjes jurken en haarnetjes hun homemade baksel te verkopen.


De kinderen, die in die tijd nog kinderen mochten zijn, renden en speelden ongestoord hun spel in de door hun moeders gebreide truien. De jongens liepen met de bekende grote petten op het hoofd, terwijl de meisjes blootshoofd liepen, maar wel met twee vlechtjes afgebonden door een strikje. Speelgoed bleek aardig internationaal want zij speelden met precies hetzelfde speelgoed als in Nederland in die tijd. Maar het meeste trof mij toch de jongetjes die in hun schooluniform met groene blazer en grijze kniekousen als evacuee naar het platteland werden gestuurd. Op hun trui zat een bruinkleurig label gespeld met daarop hun naam. In hun hand een bruin koffertje met hun dierbaarste bezittingen, zoals een knuffelbeest en wat spelletjes en om hun schouder natuurlijk het onvermijdelijke kubusachtige doosje met het gasmasker. Het moet voor die moeders en kinderen onvoorstelbaar moeilijk zijn geweest. Gezinnen die uiteen vielen, niet alleen omdat de mannen naar het front moesten, maar ook omdat de kinderen uit de grote steden weg moesten. Langs de lijn werd een bom ontmanteld en een heel kampement lag gelegerd bij het benaderen van station Horsted Keynes, waar ook een vliegtuig was neergestort. Op het station in Kingscote was een tijdelijk postkantoor ingericht omdat het bestaande was verwoest.


Dit is een kleine opsomming van de taferelen die ik daar gezien heb en wie mij beter kent zal er niet verwonderd over zijn dat ik dat heb vastgelegd in vele foto`s en een stuk film. Je kan zeggen wat je wilt over het engelse volk, maar met hun oog voor detail zijn ze meesters in het maken van musea, dat wist ik allang en wat ik nu gezien heb is meer dan dat. Een sfeerplaatje wat zijn weerga niet kent. 

Geschreven: Nutley, 16 mei 2006
Dagtekening: 12 en 13 mei 2006

Baseler Fastnacht

Vannacht om vier uur is het weer gebeurd. In Basel is om die tijd, de befaamde Fastnacht met de Morgestraich geopend en ik moest er gisterenavond zo af en toe best aan wel even aan denken dat we een jaar geleden zelf op dat plein stonden op dat onzalige uur.Gek he, als je dat zelfs maar één keer hebt meegemaakt laat je dat niet meer los net als bij Tom en Lena trouwens die ik na vorig jaar nog beter ga begrijpen. Het was gisteren nogal paniek in Basel want er was 60 cm. sneeuw gevallen. Een recordaantal en zoals Roland al zei is het op die manier zelfs onmogelijk om op Langlaufskies de stad in te gaan. Alle openbaar vervoer lag plat en Graig en Maxine werden naar Lyon gestuurd omdat hun vliegtuig niet in Basel kon landen. Met de bus konden ze ook Basel niet bereiken en ze moesten ergens halverwege in een hotelletje overnachten. Ook Dieter en Gisela die op nog geen 100 km. van Basel wonen konden per auto Basel niet bereiken. Via Internet en de Basler Zeitung lees ik dat het tijdens de Morgestraich vannacht -2 gr. was en droog, en dat het door de sneeuw niet helemaal donker was. Of iedereen Basel nog op tijd heeft kunnen bereiken weet ik nu nog niet maar dat het een heel aparte Fastnacht zal worden staat nu al vast.

Hoe anders was het vorig jaar. Wij waren voorspoedig naar Basel gereden. Het was wel koud en het sneeuwde zo af ten toe maar daar was mee te leven. Ik zag wel een beetje op tegen de Morgestraich en het opstaan op dat vroege uur, maar het was in een woord geweldig. Daar sta je dan midden in de nacht op een fontijn waarover drie planken zijn neergelegd. Je moest goed uitkijken, want de fontijn liep gewoon door en als je je voeten een beetje fout neerzette liep het water in je schoenen. Maar toch een strategische plek, geannexeerd door Roland waardoor je, omdat je ruim een meter hoger stond, een een schitterend uitzicht hebt over het hele Marktplatz met zijn duizenden mensen. Precies om vier uur gaan alle lichten uit en begint de optocht. Een eindeloze stoet gemaskerde en verklede mensen met metershoge lampionnen en vooral piccolomuziek. Dat gaat je door merg en been, zo mooi is het.

De volgende dagen leef je in een roes. De cortège, de kinderoptocht en het hele gebeuren. Basel is drie dagen; verklede mensen, optochten en vooral muziek met als hoofdbestanddeel de tradionele piccolo. De hele binnenstad is vol met mensen die alleen of met een groepje verkleed en gemaskerd op een rustig tempo door de stad lopen en piccolo spelen. Opmerkelijk zijn de grote maskers met vaak grote neuzen die door de mensen worden gedragen. Dat is het super leuke van dit alles. Je bent niet alleen verkleed maar door deze maskers ben je ook nog eens totaal onherkenbaar. Een fijne manier om eens lekker uit je dak te gaan. Er wordt stevig gedronken, maar je zal niemand lallend over straat zien lopen en fout gaat het bijna nergens. 



Natuurlijk zouden wij het het zonder Ruth, Roland en de anderen heel anders ervaren hebben. Nu vierden we feest met de "locals". Want zeg nou zelf, welke buitenlander staat er `s nachts om vier uur op een fontijn tijdens de Morgestraich, welke buitenlander kan meelopen in een groepje piccolospelers en welke buitenlander kan `s morgens om zes uur de tradionele Baseler Mehlsuppe proeven? Het was fenominaal en daarvoor is elk bedankje te weinig. Heus, wie je ook hier in Holland vertelt dat je verkleed en met een "L"-plaat op je rug door Basel loopt, die verklaart je voor gek. Toch zou het gekker geweest zijn als je in je gewone kleding liep. Dat is dus eenvoudig niet uit te leggen. Evenals het feit, dat dit wel Fastnacht heet, maar het eigenlijk helemaal niet is. De vertaling van Fastnacht is carnaval, maar de vertaling van de Basler Fastnacht is anti-carnaval. Zo noemen ze het zelf ook.

Elk jaar wordt er een speciale badge uitgegeven, die gekoppeld is aan een financiele bijdrage. Ze bestaan in brons, zilver en goud. Wij hadden een bronzen en het was dat jaar wel een bijzondere want wat kon er beter opstaan dan een onvervalste Baseler Combino bij de deuren van de remise van de BVB.


Vandaar het mailtje naar Basel afgelopen zaterdag. Even eens wens van ons uit het verre Holland voor een "Scheeni Fastnacht! "


Geschreven: Opperdoes, 6 maart 2006
Dagtekening: 12 februari 2005 en 6 maart 2006

Middelbare Meisjesschool

Op 13 jarige leeftijd en na vijf jaar lagere school op de Prof. H. Burgerschool te Amsterdam werd het voor mij tijd om deze school te verlaten. Aan mijn ouders de ondankbare taak een school voor mij te zoeken. Het werd de Christelijke Middelbare Meisjesschool. Zelf wist ik absoluut niet wat ik wilde gaan doen behalve dan die blauwe maandag dat ik tramconductrice wilde worden. Ik weet niet hoe ze aan de MMS zijn gekomen, maar achteraf gezien was het een hele goede keuze. Wel ben ik er achter gekomen waarom ik juist op die "Christelijke" school terecht gekomen ben, want er waren natuurlijk nog meer van die scholen in Amsterdam. Dat had helemaal niets te maken met de godsdienstige richting alswel met het simpele feit dat je op die school geen toelatingsexamen hoefde te doen en op de anderen wel. Daar mijn ouders terecht niet zoveel fiducie zagen in een toelatingsexamen ben ik dus zondermeer op deze school terecht gekomen en dat was natuurlijk wel even wennen.

De school stond op een geweldige locatie. Tw. op een grasveldje schuin tegenover het Minervapaviljoen in Amsterdam Zuid en omdat dit toen een theater was, was er nog wel eens wat te doen. De school bestond uit twee kleine langwerpige houten noodgebouwen met elk vier klassen. Als ik het goed herinner waren er in ieder geval drie eerste klassen en twee tweede klassen. De school was pas twee jaar bezig dus hogere klassen waren er nog niet. De directeur, de heer Jongsma was een eng ventje en toch waren we nog banger voor Juffrouw Visser, de franse lerares, die onderdirectrice was. Wegens mijn handicap heb ik vijf jaar in de middelste rij op de eerste bank gezeten, maar dat vond ik eigenlijk helemaal niet erg. De tafel waar je met z`n tweeën aan zat stond recht tegen het podium van de lera[a]r[es] aan en ik kon dus heel goed zien wat er op diens tafel lag. Ik werd een kei in het op z`n kop lezen en heb heel wat informatie aan medeleerlingen doorgeseind achter mij in de klas. De lerarenagenda`s zie ik nog voor me en vooral repetitiecijfers waren zeer in trek. De mijne had ik altijd snel gevonden want met de "B" als beginletter van mijn achternaam stond ik vrij duidelijk in de bovenste regionen. Ik wist mijn cijfer bijna altijd eerder dan het mij verteld werd en ik weet nog goed hoe hoe het voelde als het een onvoldoende was. Gelukkig kwam dat niet zoveel voor.

Daar vooraan zitten ging prima en ik kon de lessen, getuige mijn schoolrapporten, goed volgen. Ook de backup van de Prof. H. Burgerschool heeft mij door de eerste twee jaar heen geholpen. Volgens mijn moeder ben ik maar een keer huilend thuisgekomen, omdat de Duitse leraar in de tweede klas, door de klas ging lopen tijdens het dikteren. Toen kon ik het niet meer volgen en dat resulteerde natuurlijk in een dikke onvoldoende. Hoe dit opgelost is weet ik niet meer en nu ik dit zo zit te schrijven verbaast het me eigenlijk dat het niet vaker is voorgekomen. Van het "Christelijke" hadden we niet veel last. Godsdienstles hadden we wel, maar dat was meer een tweede geschiedenisles of lessen over de verschillende culturen en ze waren beslist niet saai of "christelijk". Het enige wat waarschijnlijk wel met die beruchte "C" te maken zal hebben gehad waren de kledingvoorschriften. Absoluut geen lange broek, dat was uit den boze. Alleen rokken waren toegestaan en dat was echt "lekker" op de fiets en in de winter! Ik kan me nog herinneren dat menig kind naar huis is gestuurd om zich om te kleden omdat ze toch in een lange broek op school waren gekomen. Toen het langebroekenverbod niet meer vol te houden was bedachten ze iets anders. Goed dan wel een lange broek, maar dan moest er een rok overheen. Dan was natuurlijk te belachelijk voor woorden en dat heeft niet lang geduurd voordat ze het hebben opgegeven.

Na twee jaar waren de bouwplannen van het Amsterdam Hilton Hotel schijnbaar zover gevorderd dat wij daar weg moesten en nu staat dus op de plek van mijn oude school dit gigantische hotel. Wij vertrokken naar de Prinses Irenestraat aan het eind van de Beethovenstraat. Ook hier hadden we een houten noodschool bestaande uit twee langwerpige gebouwen in de vorm van een rij lokalen met een gang ernaast, die later met een kleine verbouwing werden samengevoegd. Dat had tot gevolg dat de onze jaarlijkse brandoefening nog steeds in stand gehouden werd. Dat was de highlight van het jaar. Een keer per jaar ging natuurlijk volkomen onverwachts het brandalarm af en moesten we zorgen dat we zo snel en gedecideerd mogelijk zonder meenemen van je spullen naar buiten gingen, Allemaal buitenstaand kregen we een kleine toespraak van de directeur en mochten we naar huis. Uiteraard was die extra vrije dag voor ons het belangrijkste. Daar wilde we best even voor oefenen. Gelukkig hebben we het nooit nodig gehad want als ik achteraf eens denk hoe die gebouwen eruit zagen dan weet ik wel zeker dat ze volgens de huidige brandvoorschriften zouden zijn afgekeurd. Toch herinner ik me de gebouwen in de Prinses Irenestraat beter want daar heb ik langer gezeten. In het midden van het lange gebouw was de ingang met een halletje wat aan beide zijden een rij lokalen had verbonden door een gang. Die gang aan de achterkant van de lokalen had enkele nooddeuren die uitkwamen op een klein tegelpaadje langs een sloot. De beide rijen lokalen werden afgewisseld door een toiletblok en aan de oostzijde van het gebouw was de kamer van de directeur. Aan het eind van de gang, ook aan de oostzijde was een soort aula en het muzieklokaal. Die lange smalle gang gaf een heel gedoe tijdens het wisselen van lesuur. Als je lokalen ver uit elkaar lagen had je pech en moest je een enorme wandeling maken en dat deed je niet in je eentje. De lesroosters waren zelfs zo opgebouwd dat er met deze lokaalwissels rekening was gehouden. In de pauzes moesten we naar buiten en alleen in het vijfde jaar mochten we als vijfdeklassers bij binnenblijven en koffie of thee drinken. Dat was een enorme verworvenheid. Tegenover ons stond ook een school en tot ongenoegen van de leiding was dat een gemengde school. Schijnbaar is er druk overleg geweest tussen de beide scholen want noch pauzes, noch lestijden liepen gelijk wat tot resultaat had dat we die jongens nooit zagen. Niet dat ik daar mee zat hoor, want ik was nog zo groen als gras.

De lesstof kon ik vrij gemakkelijk aan. Veel talen! , Nederlands, Frans en Engels in het eerste jaar en daar kwam het tweede jaar Duits bij. Veel boeken lezen; 25 in het Nederlands en 10 van elke taal. Verder de normale vakken met o.a. biologie [2 jaar], natuurkunde [1 jaar], scheikunde [1 jaar] met als vernieuwende uitzondering dat er maar zesvakken waren, waarin je eindexamen moest doen. Tw. De vier talen plus aardrijkskunde en geschiedenis. Mijn fijnste vak was geschiedenis. De heer Verhoeven kon fantastisch vertellen, en die acht op mijn eindexamenlijst heb ik helemaal aan hem te danken. Voor aardrijkskunde hebben wij de laatste twee jaar een donkere leraar gehad. Dat was in die tijd iets heel bijzonders. Ook hij kon goed lesgeven. Het schriftelijk examen bestond uit vertalen van die drie buitenlandse talen in het Nederlands, dus dat was heel eerlijk gezegd wel iets eenvoudiger dan andersom. Het mondelinge examen was een gesprek voeren in die taal, waarbij je de nodige vragen over de literatuur moest beantwoorden. Bij het mondelinge examen Frans heb ik geleerd wat knikkende knieën zijn en geloof me ze bestaan echt. Vreselijk was dat en dat ik er nog een zesje heb uitgesleept snap ik nog steeds niet. Geef mij maar geschiedenis. Ik had als keuzeonderwerp de Russische revolutie en dat heeft me gered toen een van de examinatoren hierin ging doorvragen toen het de verkeerde kant [nederlandse politieke geschiedenis] op dreigde te gaan.

Een ding heb ik helemaal nog niet genoemd. Dat waren de gymnastiek lessen. Er werd uiteraard veel aan gedaan. De school zelf had geen gymnastieklocatie en de eerste twee jaar moesten we op de fiets de in mijn gevoel de halve stad door. Dat viel wel mee want we moesten naar de Roelof Hartstraat waar in een heel oud pand een school met gymnastieklokaal was. In de Prinses Irenestraat gingen we naar de tegenoverliggende school die wel een gymzaal rijk was, en zelfs toen waren de jongens buiten bereik. Toch als het weer het even toeliet waren de lessen op een van de talrijke sportvelden vlak bij onze school. In eerste instantie had geen hekel aan die gymlessen en ik heb er de spelregels van veel sporten geleerd. We deden er ook veel. Of ik echt goed is was weet ik niet, hoewel ik best wel lenig was. Na het krijgen van de menstruatie begon ik steeds meer hekel aan gym te krijgen. Op een meisjesschool kon je niet met smoezen komen want je had het allemaal en de lerares geloofde niemand meer. Het was nog niet zo als nu met die maandverbandjes die tegenwoordig rijkelijk over de tv schermen vliegen. Je had me een stel badstoffen lappen tussen je benen waar je eng van werd en helemaal geurloos was het ook niet. Dus het was allemaal erg zichtbaar en het beperkte je behoorlijk in je bewegingen. Voor mij was de lol vanhet gymmen af en als het even kon probeerde ik er onderuit te komen.

Buitenschoolse activiteiten hadden we ook. We hebben twee reisjes hebben gemaakt. Het eerste was een bootreisje naar Leiden waar we het Museum voor Oudheden hebben bezocht en in de hoogste klas een reisje naar Brugge en Gent. We sliepen in een jeugdherberg en we bezochten vele musea. Ik raakte dan ook danig onder de indruk van de schilderijen van de Gebroerders van Eyck en andere Vlaamse primitieven. Een tweede buitenschoolse activiteit was op sportgebied. Een jaar lang ging ik met nog een stel meiden roeien op de Amstel. Hoe ik daar verzeild geraakt ben weet ik niet meer, maar een middag per week maakten we een grote roeiboot klaar in een botenhuis onder de weg bij de Berlagebrug. We roeiden steevast richting "stad uit" en na een half uur keerden we om. Nooit zijn we de stad in gevaren wat ik heel jammer vond, want dat leek me best interessant. Aan het eind van dat jaar moesten we afroeien voor een certificaat. Omdat er die dag niemand als stuurvrouw kon fungeren, heb ik vrijwillig die taak op mij genomen. Had ik dat maar niet gedaan, want omdat ik dat natuurlijk nog nooit gedaan had, bakte ik er niets van, met als resultaat dat ik naar dat certificaat kon fluiten. Ik ben nog steeds boos over die grove onredelijkheid van het hele gebeuren.

Vijf jaar lang heb ik heen en weer gefietst, één jaar samen met Trees van Ginkel met wie ik afsprak boven de botenhuizen bij de Berlagebrug, maar meestal alleen met mijn schooltas over het stuur. Das was toen de mode en dat ie volregende was van minder zorg. Natuurlijk sta ik op de klassefoto`s, maar met een sliert vriendinnen om me heen zou je mij niet zien. Nooit zou ik me op de voorgrond dringen, want daar was ik veel te verlegen voor. Ik was een serieuze en naieve leerlinge die weinig vriendinnen had. Wel enkele losse kennissen, maar daar hield het mee op.

Op 2 juli 1963 kon ik mijn eindexamendiploma ophalen. Ik was er uiteraard geweldig trots op. De cijferlijst die erbij zat was op zijn zachts gezegd bovengemiddeld en voor een een slechthorend meisje moet dat een gigantische prestatie zijn geweest. Dat realiseerde ik me op dat moment absoluut niet en ik vond het doodnormaal.


De MMS heeft als schoolvorm enkele jaren na mijn eindexamen door de mammoetwet het loodje moeten leggen. Hij stond een beetje negatief bekend als school voor verwende jonge meisjes met ouders die veel geld hadden. die via dit "pretpakket" vijf jaar bezig gehouden werden. Daar heb ik echter niets van gemerkt, en dat de opleiding beter was dan de vorige opmerking doet vermoeden, blijkt wel uit het feit dat hij tegenwoordig gelijk wordt gesteld aan een HAVO opleiding. Ik heb niet zo vreselijk hard moeten werken volgens mijn moeder, want huiswerk maken gebeurde met een radio aan mijn oren, en zij twijfelde vaak aan het resultaat van die huiswerksessies. Alleen het laatste jaar want toen ben ik echt serieus aan de gang gegaan en heb ik hard gewerkt. Na het eindexamen wist ik nog steeds niet wat ik wilde gaan doen en dat het komende jaar bij Schoevers een volslagen ander resultaat had kon ik toen nog niet vermoeden.

Geschreven: Opperdoes, 10 april 2006
Dagtekening: 1958-1963


Aanvulling: 28 januari 2020

Ik was het nog steeds van plan hem eens te zoeken, maar kon de foto tot op de dag van vandaag niet vinden. Nu heb ik hem dus gevonden en ik vind hem hilarisch. Een schoolavond anno 1963. Gezien de datum vermoed ik dat het naar aanleiding van mijn einddiploma is geweest. En zie mij dan ........... een permanentje met krullen en dansend met mijn vader. Ik moest even goed zoeken, maar zijn gezicht is luid en duidelijk te herkennen. Dat is echter niet alles. Tot mijn verrassing draag ik een jurk. Haha, dat zal zowat één van de laatste keren geweest zijn, dat ik zo`n kledingstuk droeg. Niet meer voor te stellen, zo`n avond. Hoe anders gaat het tegenwoordig!


Aanvulling-2: 16 juni 2020
Hoe kon ik het vergeten. Ik schrijf hier dat we maar twee reisjes hebben gemaakt. In principe klopt dat, want de derde reis uit die tijd, werd eigenlijk niet georganiseerd door de school. Wie het wel deed, weet ik niet meer, maar het was de beste reis van de drie. In1962 deed ik mee aan een schooluitwisseling met leerlingen van een school uit Londen. In april kwam Jean naar ons en ik ging in juli naar Londen. Ik beschreef de reis uitvoerig in 55[3-20090821-33--1-English nostalgy.

Wolletjes

Als ik nu naar buiten kijk is het weer een beetje wit. De laatste drie dagen is alles iedere morgen met een klein laagje poedersuiker bedekt en dan kom zo tegen een uurtje of negen de zon er keihard door en is alles binnen een uurtje weer verdwenen. Jammer hoor, want ik mag het heel graag die sneeuw en het lijkt er dus weer op dat ik wat dat betreft volkomen op de verkeerde plaats ben gaan wonen. Als je dan ook nog eens aan iedereen gaat vertellen hoe mooi het buiten wel is, krijg je meteen te horen dat er, waar dan ook, veel meer sneeuw ligt dan bij jou en dan krijg ik meteen van die jaloerse trekjes. De oplossing voor die jaloerse trekjes heb ik ook al gevonden. Ga jezelf een beetje bedotten en ga je voorhouden dat het zo toch wel erg gemakkelijk is. Geen files, geen gladde wegen en noem al de ellende maar op die die mooie witte poedersuiker met zich mee brengt, dat wordt je toch maar mooi bespaard. Maar toch, het blijft knagen.

Dat ik dol ben op sneeuw is niet iets van de laatste jaren.Toen ik in 1952 in het ziekenhuis lag in Rotterdam had het ook zo erg gesneeuwd en moest ik wat ik ook in mijn stukje "operatie" al schreef met lede ogen toezien dat er in de zaal naast mij emmers sneeuw naar binnen gebracht werden. Tot grote vreugde van mij en van mijn ouders kreeg ik toen ik thuis was een maand later nog een keer de volle laag.


Die sneeuw en kou bracht me ineens tot een totaal andere herinnering. Wolletjes of te wel gebreide hemdjes! Ik zie ze nog voor me. Hemdjes helemaal gebreid in de ribbelsteek. Wie ze gemaakt heeft weet ik absoluut niet meer maar ik weet nog heel goed hoe lekker dat ze waren. Volgens mij had ik eerst een katoenen hemdje aan tegen het kriebelen en daaroverheen een lekker warm wolletje. Hoelang ik ze heb gedragen weet ik niet, maar gezien het feit dat ik een kindje was met niet al te veel weerstand zal het best een tijdje geweest en was het vaste prik zodra de 'R" in de maand was. Iets uit de oertijd zou je nu denken, ja hoor maar niet alles uit de oertijd was dom en slecht want ze waren echt heel lekker warm.

Op onze wc hangt een schitterende kalender. “Elke dag weer', geschreven door Lot van den Akker. Zij schrijft voor elke datum een regel met betrekking tot seizoen en natuur. Op 16 april staat het volgende vermeld: “Laat het weer zijn wat het wil, geen borstrok uit voor half april”. Dat had ik natuurlijk nog niet gezien toen ik het stukje schreef in maart, maar toen ik het las ging er bij mij een lichtje op. Dat was het! Borstrokken, dat is de officiële naam voor mijn lekkere warme wolletjes.  

Geschreven: Opperdoes, 6 maart 2006
Dagtekening: 1950-2006

Ouders op vakantie

Mijn ouders hadden vakantiegewoontes die ik nog nooit in een gezin ben tegengekomen. Allereerst maakten zij zonder kinderen een grote autorondreis van twee tot drie weken en daarna maakten zij nog een klim of wandelvakantie naar een van de Duitse middelgebergten met ons.
Mijn vader moet trouwens net als ik wel een enorme liefde voor autorijden hebben gehad want hij heeft bij die grote reizen gigantische aantallen kilometers gemaakt en zij gingen meestal richting Italie, Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk. Met z`n drieën want An Capel, een huisvriendin ging ook mee. Na die vakanties hadden ze nog maanden napret, want de enorme aantallen foto`s werden verwerkt in een schitterend vakantiealbum. Via een compleet scenario werden di albums op maat gemaakt en profssioneel ingetekend door mensen van An`s werk [Uitgeverij Elsevier] waarna ze nog weken nodig hadden om die stapels foto`s in te plakken. Dat alles in tweevoud zodat mijn ouders en An er beide een album aan overhielden. Later zijn de foto`s overgegaan in dia`s en die staan nu nog in grote getale op zolder in Abcoude.



Mijn broer en ik bleven dus thuis. De reizen werden gepland buiten de schoolvakanties, zodat we in de oppasperiode nog gewoon naar school gingen. Dat maakte de zaak een stuk eenvoudiger voor de oppas, waarvan ik me er eigenlijk maar één goed kan herinneren. Tante Dirkje! een surrogaat tante waarvan ik totop heden niet weet hoe die in de familie paste. Een best mens hoor, niets op aan te merken en achteraf denk ik dat zij het ook niet al te gemakkelijk zal hebben gevonden. Ik weet nog precies hoe het voelde, vechtend tegen je tranen de auto uitzwaaien, want ja je wilde je toch niet laten kennen.


Een keigoede actie van mijn moeder heeft mij in ieder geval die weken doorgeholpen. Zij had voor iedere dag een klein cadeautje gemaakt, zodat we daar naar toe konden leven. Dit was echt klasse en ik zie de doos nog staan, in de kast onder de trap. Wel heel erg lief was dat ik tijdens een gesprek heel kort geleden hoorde dat mijn moeder het er ook niet zo gemakkelijk mee heeft gehad. De vakanties waren uiteraard geweldig maar het achterlaten van ons was voor haar ook verre van gemakkelijk. Echter de terugkomst vergoedde veel. Cadeautjes waren er te over uit allerlei onbekende oorden.


Het feit dat zij zonder ons op vakantie gingen vond ik weliswaar niet leuk, maar wel doodnormaal. Daar dacht ik niet over na. Het zou voor ons te lang en te saai zijn. Dat is volkomen waar, deze reizen waren totaal ongeschikt voor kinderen. Wij hadden onze eigen vakanties en ik vond het fijn om die buitenlandse reizen te maken. Dat kwam in die tijd nog niet zoveel voor. Het was heel lief voor ons speciaal nogmaals op reis te gaan en ik moet toegeven dat ik daardoor een hoop van de wereld gezien heb. Maar mijn vader zou mijn vader niet zijn geweest als hij in zijn enthousiasme niet een ding was vergeten. Om ook eens aan ons te vragen wat we nou precies zouden willen en of we die vakanties nou wel echt leuk vonden. Als kind sputter je niet zoveel tegen en zeker niet tegen een persoon als mijn vader, maar ook hij moet donders goed hebben geweten dat ik een broertje dood had aan wandelen en klimmen, dat heb ik echt wel laten merken. Trouwens wat dat betreft ben ik geen spat veranderd. Lopen om te lopen vind ik nog steeds flauwekul. Ik wil veel kunnen zien en dat gaat me lopend veel te langzaam. 

Geschreven: Opperdoes, 4 maart 2006
Dagtekening: eind jaren `50

Kerstherinneringen

Kerst, associeer ik in mijn herinneringen, altijd met een witte kerst. Dat zal er echt niet altijd geweest zijn hoor, want ook toen was het een zeldzaamheid dat er sneeuw lag tijdens de kerstdagen. Zelfs in de roemruchte winter van 1963 was de kerst ook groen. De sneeuw kwam pas begin januari. Natuurlijk hadden wij een kerstboom; één met echte kaarsjes er in. Doodeng!.... en het was ook afgelopen na het jaar dat ik me wezenloos ben geschrokken, omdat de hele boel bijna in de hens was gegaan. Dat er in die tijden niet veel meer is afgebrand is eigenlijk een wonder. Een geweldige brand herinner ik me nog uit die tijd maar die zal waarschijnlijk niet door een kerstboom gekomen zijn. De "C & A" brand. Uiteraard zijn we de volgende dag gaan kijken en het was een gigantisch gezicht. Het hele Damrak stond vol met mensen die dat "ijspaleis" wel eens van dichtbij wilde zien en dat was niet verbazend. Het was geen uitgebrand pand, maar een en al ijs en ijspegels en er was geen roet te zien. Maar ho even, ik dwaal af want ik wilde een kerstherinnering op papier zetten.

Hoewel geen fanatieke kerkgangers hebben mijn ouders een tijd de gewoonte gehad om op kerstmorgen vroeg een kerkdienst bij te wonen in de Oude Kerk in Amsterdam. We reden dan om een uur of tien met de auto door een bijna autoloze stad, over een verlaten Muntplein, via het Rokin, over een uitgestorven Dam en verder het oude centrum in naar het Oudekerksplein. De auto zette je toen nog gewoon naast de kerk op het plein en als je de auto uitstapte werd je verwelkomd door een oorverdovend klokgelui. Ook het orgelspel was al buiten te horen, maar werd binnen steeds luider. Dat orgel is nog steeds wereldberoemd en Feike Asma heeft er, in de jaren 60, talloze klassieke grammofoonplaten mee volgespeeld. Voor de preekstoel stonden klapstoelen en in een grotere kring er omheen stonden de banken voor de rijken, die afgesloten waren met deurtjes. Sommigen daarvan waren om een pilaar heen gebouwd. Het zitgedeelte in de kerk en de preekstoel, die bevestigd was aan een pilaar, waren in het midden van de kerk en eigenlijk speelde de hele kerkdienst zich af in dit kleine gedeelte van de enorme ruimte. Wij zaten altijd op de klapstoelen. Van de diensten zelf herinner ik me weinig of het zou moeten zijn dat de preken altijd akelig lang duurden.Tijdens zo`n preek ging je gedachte alle kanten op, waarbij het plafond en koorhek aan een grondige studie werd onderworpen. Op het laatst hoopte je dat aan het eind van elke zin van de preek het verlossende amen zou worden gezegd, zodat het eind van de dienst in zicht was. In tegenstelling tot de preek vond ik de orgelmuziek fantastisch. Ik vermeldde aan het begin al, dat het orgel heel bijzonder was en de enorme hoogte van het plafond met zijn kruisbogen gaven daarbij nog eens een schitterende akoestiek. Tijdens de dienst waren er geen aparte optredens, zoals tegenwoordig, maar veel gewone zang van de klassieke kerstliederen door de kerkgangers zelf gezongen en hoewel ik absoluut niet kan zingen, zong ik uit volle borst mee. Deze muziek vond ik toen en nu nog steeds in zijn eenvoud eigenlijk de allermooiste kerstmuziek en als er een tv uitzending is van een gewone volkskerstzang blijf ik daar graag nog even naar luisteren. De temperatuur in de kerk was ondanks de aanwezig verwarming vaak ijzig en het tochtte er afgrijselijk. Iedereen hield op zijn minst zijn jas aan, maar soms waren een sjaal en muts ook geen luxe. Na de dienst kreeg je een hand van de dominee en onder begeleiding van luide orgelklanken ging je weer naar buiten. Je reed dan door een stad die intussen al aardig wakker geworden was, weer naar huis. Daar wachtte de warmte en `s avonds het kerstdiner. 

Geschreven: Opperdoes, 20 december 2005

Dagtekening: eind jaren 50 en begin jaren 60

Professor H. Burgerschool

Een van de nadelen, die ik heb meegekregen van mijn moeders zwangerschap in de hongerwinter, is een pittige slechthorendheid. Jammer maar ach er valt goed mee te leven hoor. In mijn lagere schooltijd bleek het toch een probleem te zijn om de lessen goed te volgen en na een jaar "gewone" lagere school op de Prinses Julianaschool in de Farenheitstraat in Amsterdam, ging ik naar de Prof. H. Burgerschool een school voor slechthorende kinderen. Het nogal haveloze schoolgebouw was gelegen in de bocht van de Plantage Muidergracht en werd dus mijn lagere school van 1952 tot 1958. Twee gebouwen eigenlijk, die gescheiden werden door een lager liggende gymzaal, die als grens, tussen de twee panden lag. Dwars door die gymzaal heen kwam je het snelst in het tweede gebouw. Eerst twee treetjes af, de gymzaal oversteken en dan weer twee treetjes op. Het mocht niet zo oversteken, maar we deden het regelmatig, nadat we eerst goed gecontroleerd hadden of de erg strenge en een beetje mank lopende gymmeester niet aanwezig was. De latere jaren heb ik in de dependance gezeten, dat vond ik niet zo leuk, maar dat waren dus wel veel jaren van ongeoorloofde oversteekjes. Een tweede manier om illegaal in de dependance te komen was om vanuit het oude gebouw, als je binnenkwam rechtdoor weer naar buiten te lopen en dan via de fietsenstalling, langs de gracht naar de speelplaats van de dependance te gaan. Daar kon je dan door de achterdeur weer naar binnen. Normaal was natuurlijk, dat je gewoon door de voordeur van de dependance naar binnenging en bleef waar je was. Per slot van rekening had je in het hoofdgebouw normaliter niets te zoeken.

Door de bocht in de gracht, was er aan de zijkant van het oude gebouw een klein driehoekig speelplaatsje omgeven door een hoog ijzeren hekwerk. Van de straatkant gezien, wekt het nu in mijn herinnering veel associaties op aan de grote overbuurman Artis, waar deze soort hekken gemeengoed zijn. Toch heb ik nog iets goeds te melden over dat pleintje, want hier is de enige foto gemaakt, die ik heb van de school.


Als je via de hoofdingang naar binnen ging, kwam je in de hal waar je haaks op een lange gang stuitte. Ging je die lange gang links in zag je eerst weer links een gigantisch terrarium. Aan het eind van die gang bevond zich het driehoekige speelplaatsje en vlak voordat je naar buiten ging was links de kamer van het hoofd van de school. Ging je rechtsaf die gang in dan had je aan het eind dus die befaamde gymzaal van de oversteekjes. Verder waren er nog de leslokalen, die op de bovenste verdiepingen waren.

Van mijn eerste jaren weet ik niet zoveel meer. Alleen herinner ik mij dat we, en dat was heel modern voor die tijd, in een "U-vorm" aan tafeltjes zaten. Voor de tafels langs, was een ringleiding door de klas. Aan de open kant van de "U" stond de tafel van de meester - Mijnheer Oordijk - en binnenin het vierkant stonden drie kleine rond gevormde bankjes die ook in "U"-vorm gericht waren op de tafel van de meester. We begonnen de dag altijd zittende op die kleine bankjes. We vertelden elkaar van alles en nog wat en leerden er liplezen. De meester sprak dan zonder geluid te maken en je moest dus alleen aan de beweging van zijn lippen kunnen zien wat hij zei. Wij tetterden onze antwoorden keihard door de ruimte. Maar er werd iedere dag op die bankjes wel onbewust druk geoefend. Tegenwoordig heet het trouwens geen liplezen meer maar spraakafzien. Waarom is mij een raadsel, want het woord liplezen dekte de lading uitstekend.

Ik maakte er net als op elke lagere school sommen, leerde lezen, schrijven en taal, maar daarmee hield de vergelijking met een gewone lagere school wel zo`n beetje op. Behalve het liplezen wat ik al eerder noemde werd ook veel aandacht besteed aan articulatie. Vooral van het liplezen heb ik veel profijt gehad. Ik gebruik het nog steeds onbewust en elke dag. De articulatie was voor mij minder belangrijk, maar bij de kinderen die minder hoorden dan ik was de uitspraak van de Nederlandse taal soms nog niet al te best. Verder liep elk kind met een groot hoorapparaat op zijn buik. Ik had alleen een oorstukje in mijn linkeroor, want dat was en is nog steeds het slechtste, en een kastje in de grootte en vorm van een spel kaarten om je nek. En daarmee was je nog aardig mobiel, behalve dan wanneer je jouw apparaat inplugde op de eerder vermelde ringleiding die op één of andere manier gekoppeld was met een microfoon bij de meester, want dan zat je vast. Kinderen die slechter hoorden dan ik hadden soms een soort koptelefoon op en nog een grotere kast. De mini-apparatuur van nu was nog niet uitgevonden, maar het werkte prima.

Wat ik al schreef, waren er op de 1e en 2e verdieping klaslokalen en zetelde helemaal bovenin het gebouw, op de 3e verdieping de dokter. Als je binnenliep, kwam je in een grote zaal met een betegelde vloer en stonden er langs de kant allemaal stoelen. Liep je door dan was er links een deur naar de spreekkamer van de dokter. Het was een kno-arts en hij nam de medische verzorging van je oren en gehoor voor zijn rekening. Hij controleerde alles regelmatig en meestal kwam je na zo`n controle met een of andere rode smurrie in je oor de klas weer in. Wat dat was weet ik niet meer, maar het staat me nog duidelijk voor de geest. Ook daar werd het audiologisch onderzoek verricht en hoewel de apparatuur ongetwijfeld moderner is tegenwoordig, is het onderzoek met al zijn piepjes en andere toontjes nog niets veranderd. Verder had de schooltandarts daar ook zijn tijdelijke basis. Die zag ik ieder halfjaar met angst en beven tegemoet, want ik was, gezien mijn algehele vrij zwakke gezondheidstoestand, altijd de klos.

Het lesprogramma was ook verder uniek. Klassikaal lesgeven wat in die tijd gangbaar was werd niet gedaan. Ieder werkte in zijn eigen tempo en op zijn eigen niveau. Soms werd er wel in groepjes gewerkt en ook het hulp geven aan je buurvrouw of buurman werd erg aangemoedigd. De kinderen kwamen overal vandaan, van Zuid tot Jordaan en van ver buiten de stad. Ik heb zelf een tijdje naast een meisje gezeten uit Volendam. Ze was in klederdracht, in vol ornaat wel te verstaan met een stuk of vier onderrokken. Helaas rook ze niet al te fris. Geen wonder eigenlijk met al die rokken. Ze hoorde bijna niets en ik heb haar behoorlijk op weg geholpen, getuige de aantekeningen in mijn schoolrapporten.

Ook werd heel veel gedaan aan muziek en handarbeid. Ik heb eens een complete blokfluit gemaakt. We kregen een pijp bamboe van ongeveer 50 cm. lang en een diameter van ca. 3,5 cm en moesten in die pijp op de aangewezen plekken zeven gaatjes vijlen. Zes op [later] de bovenkant en eentje aan de onderkant. Nou dat was een klus. We vijlden ons een slag in de rondte, want dat bamboe was hard en de vijltjes klein. Zo klein, dat ik sinds die tijd heel goed wist wat een rattenstaartje was. De leraar, Dhr. Tuin, gaf ons instrukties en na een paar weken ijverig zweten waren de gaatjes klaar. Waarschijnlijk hebben we met het verder afmaken van de fluit nogal wat hulp gehad, want ik herinner me, behalve het oeverloos vijlen en later het schilderen weinig van de verdere werkzaamheden. Die bestonden uit het afschuinen van de bamboepijp, het maken van een vierkante gat voor het geluid en het bijsnijden en als afsluiting plaatsen van de kurk in het mondstuk. Maar het schilderen en lakken was aan ons. We fantaseerden er op los en de mooiste ontwerpen kwamen op de fluit. De mijne sprong er beslist niet uit, want mijn versierkunde kwam niet verder dan het maken van wat gekleurde banden, rond het bamboe en wat stippen daartussen. Afsluitend kreeg de fluit nog een paar lagen lak en was toen klaar voor gebruik. Heel spannend was het moment dat we voor het eerst hoorden hoe het geluid van de blokfluit was geworden. En het moet gezegd, dat viel niet tegen.

Al schrijvende, realiseer ik me pas goed hoe knap het ontwerp was en hoe slim hoe het eigenlijk was om slechthorende kinderen op deze manier met muziek in aanraking te brengen. Ik had er lol in en kon heel snel een serie simpele wijsjes spelen. Ook leerden we het notenschrift, iets waar ik ook later veel profijt van heb gehad, zodat ik, in een klein boekje, de gespeelde liedjes kon opschrijven. Vader Jacob, Varia, Abide with me, Home sweet home, ik herinner me ze nog. Een tweede handenarbeid project waren poppetjes uit pijpenragers met houten bolletjes als hoofdjes. Ze deden allerlei gymnastische toeren en ze stonden met elkaar in een glazen kist. Dat werkstuk werd zo gewaardeerd dat het een tijd heeft staan pronken in de kamer van het hoofd van de school. Ook aan gymnastiek werd erg veel aandacht besteed. Hoewel je het nu niet zou zeggen was ik in die tijd superlenig. Ik stond net zo gemakkelijk op mijn handen als op mijn benen. De achterliggende gedachte van die vele gymlessen was om juist bij deze kinderen te motoriek te bevorderen. Zij bewogen zich vaak houterig. Nou daar had ik geen last van hoor. Dit hoorde ik trouwens veel later pas van mijn moeder, want als kind heb je daar geen weet van.

Van klasgenoten en namen weet ik helaas bijna niets meer. Ook van de latere jaren niet. Een keer ben ik bij een vriendinnetje op verjaarsfeest geweest op de Koninginneweg. Het was een deftige bedoening en haar vader was arts. Een tweede vriendin bleef iets langer hangen. Plony Rijpkema, die ik zelfs in Abcoude, nadat ik getrouwd was nog wel eens ontmoette. Zij woonde in een heel oud pand in de Utrechtsedwarsstraat. Ik vond het een beetje eng dat huis, ik was bang dat het a la minuut zou instorten, zo oud was het, maar leuk was het wel. Onze meest populaire bezigheid was om knikkers van de ene kant van de kamer naar de andere te laten rollen. Je hoefde er niets voor te doen, zo scheef was het huis.

Wat ik nog wel weet zijn de voor die tijd bijzondere schoolkampen in 1955 op Rozenburg en in 1956 te Frederiksoord. Ik was er echter niet zo enthousiast over. Het was me een beetje te massaal. Grote eet- en slaapzalen en vooral de harde stromatrassen voel en ruik ik nog. Dat was iets waar ik absoluut niet aan gewend was. Op een foto sta ik met een lampion en wattenbaard samen o.a. Plony Rijpkema tijdens het kamp in De Beer te Rozenburg [Plony is de middelste en ik ben de 2e van rechts]. Aan deze plek denk ik trouwens wel met enige weemoed terug want dat schitterende natuurgebied is door de komst van de Europoort volkomen vernield.



Meerdere fotootjes heb ik uit Frederiksoord, waar we logeerden in de Hoeve Koning Willem Drie.


Maar er waren meer buitenschoolse activiteiten. Ook museumbezoeken stonden voor ons op het lesprogramma. We bezochten vijf keer het Rijks- en vijf keer het Stedelijkmuseum en ik ben er zeker van dat deze bezoeken het begin waren van mijn grote interesse in kunst.

Uit de latere jaren [klassennummers hadden we niet], is een ding eigenlijk goed blijven hangen. De geweldige biljart competities die we hadden in de groep van meneer Tuin. Hoe we aan het biljart in de klas zijn gekomen weet ik niet precies, maar volgens mij had hij het zelf, van een tafel, gemaakt en er ging geen pauze voorbij, waarin we niet fanatiek met de biljartkeu`s in de weer waren. Het resultaat was, voor mij, een eerste plaats in de jaarlijkse competitie. Dat was nog eens wat! Een meisje dat alle mannen de baas was in het spel.

Nog één ding ben ik vergeten. De reis van en naar school. Moet je voorstellen, ik moest eerst een kilometertje lopen over de Hugo de Vrieslaan, om bij de tramhalte van lijn 9 te komen, bij de Emmakerk op de Middenweg. Dan met de tram totaan de halte Plantage Badlaan. Wachtend op de tram terug naar huis zal ik nooit meer vergeten, dat ik daar stond, in gezelschap van twee stenen voorhistorische beesten, die vanuit de tuin van Artis spottend op mij neerkeken. Ik heb nog bewondering voor mijn ouders, die op een gegeven moment de moedige beslissing namen, mij dit alleen te laten ondernemen. Toegegeven, anno 2005 is het nog enger, maar voor hun was dit een reuzebesluit. Later hoorde ik wel, dat ze me nog de nodige keren, ongezien gevolgd hebben en dat lijkt me niet zo gek ook. Het ging zelfs zo goed dat ik na een tijdje nog een kleiner meisje uit Duivendrecht begeleidde. Één keer hebben we een tramongeluk meegemaakt. Een vrachtauto ritste de hele zijkant van de tram open en alle ruiten waren kapot. Blijkbaar heb ik toen, volgens mijn moeder, het meisje uit Duivendrecht heel adequaat gerustgesteld. Het dillemma van alleen laten gaan kwam nog een keer, enkele jaren later, toen ze me op de fiets naar school lieten gaan. Toch had het zo ver op school zitten een klein nadeel. Vriendinnen in de buurt had ik niet. De buurtkinderen kende ik nauwelijks, maar daar heb ik nooit zo mee gezeten. Ik kon mezelf goed vermaken. En school zelf was geweldig. Je hoeft bij mij nooit aan te komen met iets negatiefs over bijzonder of buitengewoon onderwijs. Daar heb ik teveel goede ervaringen mee. Want zeg nou zelf op welke lagere school anno 1956 ging je op museumbezoek en leerde je biljarten of een blokfluit maken en bespelen.

Na deze genoemde periode had ik de lagere school doorlopen en moest ik verder. Voortgezet onderwijs in deze vorm bestond nog niet. Enkele jaren later werd de MULO voor slechthorenden pas opgericht. Ik heb echter wel twee jaar hun avondschool doorlopen naast mijn vervolg opleiding. Hier werd ik geholpen met huiswerk en andere problemen die zich voordeden. Het ging eigenlijk allemaal prima. De basis was goed en de school gaf mij via deze avondschool nog twee jaar extra rugdekking. Ik heb vijf jaar MMS gedaan met een prima eindexamen; eigenlijk zonder noemenswaardige problemen, zij het dat het vijf jaar school was zittende op de eerste bank. Maar dat was dan ook het enige.

Ps. ergens in 2016 zat ik een beetje met Google Streetview te spelen en was daarbij allerlei oude plekjes aan het opzoeken. Ik kwam op de Plantage Badlaan in Amsterdam terecht en ontdekte, niet geheel verbaasd, dat het oude schoolgebouw helemaal was afgebroken. Op de streetviewfoto kan ik alleen uit de vorm van het grasveld afleiden, dat dit mijn “driehoekige” speelplaatsje moet zijn geweest, waar ik met mijn klasgenoten poseerde midden in de winter met een of andere sneeuwbeest. Op de plek van het gebouw zijn flats neergezet.






Geschreven: Opperdoes, 24 oktober 2005
Dagtekening: 1952-1958 [1961]

Paalwoningen

Om allerlei dingen eens lekker van mij af te schrijven heb ik een digi-dagboek opgezet. Korte stukjes tekst soms met foto`s, waarin ik alles schrijf wat op dat moment in mijn opkomt. De meesten publiceer ik hier op de space, maar soms zijn ze zo persoonlijk dat ik dat toch echt niet kan. Zo ook deze verschrikkelijke saaie zondagmiddag. Van de kant van mijn echtgenoot hoef ik ook geen afleiding te verwachten, want die zit gemiddeld zo`n vier a vijf uur met sport voor de tv. Dus wil ik echt niet stapelgek worden, dan moet ik wel een andere manier zoeken om mijn geest een beetje aan het werk te houden. Iedere keer in de auto stappen en een lekker stukje te gaan rijden is ook een optie om wat afleiding te hebben, maar dat kost met die dure benzine vandaag de dag een beetje teveel geld, dus gaan we maar schrijven. Onderwerpen genoeg. Om niet altijd te mopperen op hetgene wat me op dat moment dwars zit, pak ik vaak mijn fotofile. Die file bestaat uit duizenden ingescande foto`s uit mijn hele leven en dus herinneringen genoeg om eens een stukje aan te wijden. Zo ook deze foto`s. Ik heb een grote voorliefde voor geometrische vormen en deze foto`s zijn er een goed voorbeeld van. Ik vind ze nog steeds geweldig. Het wa s 30 januari 1987 en zeker 10 graden onder nul toen ik deze foto`s nam van de paalwoningen in Rotterdam. Het enige waar je aan kunt zien dat het zo koud was, is de extreem blauwe lucht, want het was schitterend weer. Trouwens maar goed dat ik toen nog geen digitale camera had, want ik ben er bijna zeker van dat de accu van dat ding het bij die temperatuur had laten afweten. Lang leve de hedendaagse techniek, maar die oude camera`s waren ook zo gek nog niet.


Geschreven: Opperdoes, zondag 23 oktober 2005
Dagtekening: 30 januari 1987

Spelen

Een paar dagen geleden kwam ik in de krant een stukje tegen waarin een minister wilde dat er door de kinderen meer op straat werd gespeeld. Ik heb het stukje niet helemaal gelezen, maar wat ze bedoelde was al snel duidelijk. Minder computer spelletjes, minder tv en noem nog eens wat van die “niet bewegen” activiteiten op, de kinderen moeten er meer op uit en er zal ongetwijfeld wel weer geld tegenaan moet
en om de kinderen de straat op te krijgen. Gezien de toestand vandaag de dag zal dat wel eens niet kunnen lukken. Hoe anders was het in 1954. Je kwam niet meteen onder een auto als je even niet uitkeek, maar aan de andere kant was dat blik toen even dodelijk. Niks geen woonerf of 30 km zone. Gewoon uitkijken was het advies, maar er werd wel buiten gespeeld. Met alle respect denk ik toch dat we iets meer fantasie hadden. De eerste foto is duidelijk. Geweldig vind ik mijn “broertje”. Wat een jochie toen nog met die step. Ik kon waarschijnlijk nog maar net fietsen. Tegenwoordig zou je een moord doen voor de geweldige opoefiets die toen heel normaal was.


De tweede foto behoeft wel iets meer uitleg. De kinderen op de foto zijn: Leendert [met het brilletje], Klaske, zijn zusje erachter en huilend op de voorgrond hun broertje die ik me alleen maar herinner als Wimpie [zal wel Wim geweest zijn] Wegewijs. Helemaal achteraan zit ondergetekende, een beetje ouder dan de rest en voor de niet zo fantasierijke lezer wil ik wel even uitleggen wat we aan het doen zijn. We speelden hier "trammetje", met Leendert als trambestuurder en de anderen als passagiers. Wimpie lag waarschijnlijk dwars en had dat van zijn grote broer even te horen gekregen.

Leuke bijkomstigheid op deze foto is de omgeving. Het grote gebouw op de achtergrond was een school die allang is afgebroken en de de lantarenpalen zijn juweeltjes. De lantarens hadden behalve als gewone straatverlichting nog een ander doel. Wanneer ze gingen branden moesten we naar huis om te eten en je zorgde wel dat je op tijd was.

Trouwens over spelen gesproken. Als mij werd gevraagd wat ik wilde worden was er in die tijd maar een ding en dat sloot aardig aan bij wat we hier op de foto aan het doen waren. Tramconductrice leek me het einde. Ik speelde het ook vaak. Dan zette ik het wasrek in een vierkant met een kleed eroverheen. In die ruimte zette ik een tafeltje en ging eraan zitten op de grond. Op het tafeltje lagen verscheidene attributen die ik niet zo precies meer herinner. Er zullen ongetwijfeld kaartjes bij geweest zijn, maar het enige wat ik mij nog wel bijstaat is, dat ik iets bij mijn handen had om de deuren op en dicht te doen. Het waren een soort hendels die ik links en rechts verschoof maar waarmee ik dat deed weet ik helaas niet meer. Het zal er dus in dat “wasrekhok” ongeveer net zo aan toegegaan zijn, als Leendert hier op de foto bezig is. Dus hoezo fantasie?? Dit kwam weer bovendrijven toen ik de bovenstaande foto tegenkwam. Verder heb ik oeverloos geknikkerd, gehinkeld, touwtje gesprongen en vooral ballen. Met drie tegen de muur. Dat ging alleen goed als de muur een beetje glad was, want anders sprongen die ballen alle kanten op behalve de goeie. En wat ook leuk was, was de diabolo. Hoe hoger hoe mooier.

Toch ben ik altijd een eenling geweest. Vriendinnen had ik niet. Ze waren er volgens mij ook niet in de buurt, maar het werkelijke probleem lag anders. Doordat ik op een bijzondere school zat, die verder in de stad was, leerde in de buurtkinderen nauwelijks kennen. Ik miste het niet echt want ik kon mezelf altijd goed vermaken, hoewel dat buiten moeilijker was als binnen. Daar had ik de radio, en toen ik wat ouder was, klaagde mijn moeder steen en been dat ik niet bij uitzendingen van Arbeidsvitamine was weg te slaan. en altijd binnenzat. Dus de klacht van die minister is ook niets nieuws. Ik had er in de jaren 60 ook een handje van.

Geschreven: Opperdoes, 18 september 2005
Dagtekening: zomer 1954


Zoek de verschillen







Weet je wat grappig is. Als je ergens bent en je herinnert je op dat moment dat je thuis een oude foto hebt liggen die op diezelfde plek gemaakt is. Wat doe je dan? Juist, je probeert hem zo precies mogelijk over te maken. Dat grapje kon ik dus een paar weken geleden uithalen in het Openluchtmuseum in Arnhem. Op de foto uit 1961 staat mijn moeder nog op als zoals ze zelf gisteren zei “een jonge blom van net 40 jaar”. Verder is op deze plek, getuige de foto`s, nauwelijks iets veranderd. Toch zit er ruim 40 jaar tussen!!!!!

Geschreven: Opperdoes, 14 september 2005
Dagtekening: 30 april 1961 en 23 augustus 2005



maandag 30 januari 2017

Sneeuw, stoom en soep in de Harz

GEZELLIE

Wat een schitterende dag. Sneeuw, sneeuw en nog eens sneeuw. Vanmorgen om een uurtje of 11 hebben van voor het hotel de trein [of liever gezegd tram] genomen naar het plaatsje Wernigerode. De sneeuw deed nog steeds zijn best om naar beneden te vallen en daarom hebben we democratisch besloten om met het openbaar vervoer te gaan reizen vandaag. Een wijs besluit, gezien de toestanden die ik in mijn onwetendheid creeerde met het rijden in die witte troep. Een heuvel op, een laag sneeuw en vier man in de auto met een bult bagage is nou niet echt de beste methode om met de auto te leren omgaan in die omstandigheden. Gelukkig had Arie er iets meer verstand van en hiermee plus wat brute douwkracht hebben we de auto op een parkeerplaats gekregen.


Ik heb intussen al tig keren moeten horen dat ik teveel gas gaf en dat was ook zo, maar het was pure paniek omdat ik bang was op die helling en/of in de sneeuw te blijven steken. Maar goed vandaag geen autoproblemen en alleen maar genieten van sneeuw, mooie vakwerkhuizen gegarneerd met een stelletje stoomtreinen. Op de heenreis werden we alle vier eigenlijk steeds stiller en dat zegt wel wat. Ik heb in het verleden altijd gezegd dat ik heel graag naar de Harz wou, maar alleen als er sneeuw lag. Nou die wens is meer dan vervuld. De hele reis reed ik door een grote kerstkaart en dat is dan nog zacht uitgedrukt.

Wernigerode is een schitterend plaatsje met veel vakwerkhuizen. Ik vond het bijna onduits, want het leek zelfs 16 jaar na de Wende nog in de verste verte niet op het westen van Duitsland. Eigenlijk is de communistische periode in het voordeel geweest, want hoewel ze in die periode de gebouwen ontzettend hebben verwaarloosd, hebben ze deze in ieder geval laten staan. Nu zijn ze voor een groot gedeelte schitterend gerestaureerd en het resultaat is geweldig. Gelukkig was mijn camera zeer gewillig ondanks de kou en ik kon dus lekker mijn gang gaan.

We zouden we een stoomtrein hebben en dat betekend dus mooie rookpluimen met die kou en de bekende tjaf tjaf geluiden als hij die 500 meter weer naar boven moest buffelen. Vandaar dat ik ondanks mijn eeuwige oorlog met mijn videocamera hem maar eens uit de tas heb gehaald. Gelukkig hebben deze treinen een mooi balkonnetje waarop je lekker buiten kunt filmen. Dat is echter leuk voor in de zomer maar met een paar graden onder nul is dit wel andere koek. Maar de wil om te filmen was toch sterker dan de kou en zo in je eentje in die witte wereld is toch iets bijzonders. Ach ja de warmte komt wel weer in het hotel. Ik heb er zo`n vijftien minuten film opgezet en ik zie wel wat daar verder uit komt. Nu zijn we allemaal een beetje lens. Degene die altijd het hardst zitten te mopperen op mijn computer, roepen nu het hardste om de foto`s en voor een pas gekocht dvdtje is dat ding eigenlijk ook wel handig. Resultaat is dat ik nu zit te schrijven met een knikkebollende echtgenoot, een slapende Arie en een puzzelende Suus [waarvan ik echter ook dacht dat ze zat te slapen]. Gezellie!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

Geschreven: Drei Annen Hohne 17 maart 2006
Dagtekening: 17 maart 2006


MÄRCHENLAND

Dat een stoomtreinritje naar de Brocken zou uitmonden in een reisje in Märchenland kon ik zeker niet van te voren bedenken. Het begon al goed vanmorgen. Behalve dat het natuurlijk Arie`s verjaardag was, werd ik gewekt door een uitbundige zonnestraal. Suzanne deed de gordijnen open en ja hoor eindelijk de zon. Daar hadden we bijna drie dagen op gewacht want wat is er mooier dan met volle zon de Brocken op te tuffen. Dit ritje hadden dus voor ons uitgeschoven wachtende op het mooie weer. Het was vandaag de laatste dag dus moest het zon of geen zon, helder of niet helder gebeuren. Wat een mazzel! Natuurlijk zat die trein berevol mensen met sleetjes en skies maar de heren hadden nog wel een zitplaatsje kunnen veroveren. Ik had daar niet eens moeite voor gedaan want ik wilde vanaf het balkon filmen. Suzanne die de drukte ook zat was stond ook op het balkon. Vanaf het eerste moment had ik het idee dat ik een sprookjesbos in reed. De bomen waren van boven tot onder besneeuwd en het verbaasde mij eigenlijk dat in die dichte dennebossen de sneeuw de grond had kunnen bereiken. Deze was echter ook helemaal bedekt en volledig wit.


In het begin waren de bomen nog goed te herkennen, maar hoe hoger dat je kwam des te gekker werden de vormen. Bij de meesten waren de toppen helemaal krom doorgebogen door de zware sneeuwlast. Dat was een komische gezicht. Net allemaal oude mannetjes en vrouwtjes die in een rouwstoet liepen. Sommige bomen waren helaas compleet in tweeën gespleten of nog erger totaal afgebroken. Maar zelfs die waren mooi. Toen de bomen niet meer op bomen leken kon er allemaal figuren in zien. Dinosaurussen, beren en stripfiguren gingen aan je oog voorbij en ik zag zelf een hele grote Winnie de Pooh in het bos staan. Vlak onder de boomgrens werd het nog gekker en zelfs bizar. De boompjes zijn daar kleiner en als zodanig totaal niet meer te herkennen. Allemaal bulten in de sneeuw en ik had het idee dat ik in een science fiction film beland was.

De bulten hielden uiteindelijk op waarna we op de Brocken aankwamen. Daar waren de paden uitgegraven en liep je langs sneeuwmuren van minimaal drie meter hoog. We stonden boven een dunne laag wolken en ik was bang dat het binnen de korste keren weer dicht zou trekken. Dat hadden we namelijk nogal eens eerder ervaren in Schotland, maar gelukkig bleef de zon ons trouw en scheen zo fel dat het eigenlijk best hard begon te dooien. Daardoor hadden we er op de terugweg nog een extra attractie bij. De meeste figuren hadden er hele lange druipende ijspegels bijgekregen, waardoor het leek of ze heel komische druipneuzen hadden.

Geschreven: Drei Annen Hohne, 19 maart 2006
Dagtekening: 19 maart 2006

SOLJANKASOEP

Ik ben niet zo`n fijnproever, en de haute cuisine is aan mij ook niet echt besteed, maar de afgelopen dagen in de Harz was ben ik op het gebied van eten toch wel een paar heel bijzondere dingen tegengekomen. Allereerst de Soljankasoep. Dat vertelde ik al in mijn stukje "Gezellie". Deze uit Rusland overgewaaide soep is echt iets uit het vm. Oost-Duitsland want ik heb het nooit ergens anders gezien. Volgens Arie doen ze er vanalles in en toen ik in Wernigerode een lepeltje van Karel geproefd had wilde ik het wel eens met wat meer proberen. Boven op de Brocken zag ik het ook op de menulijsten staan, dus een goede gelegenheid om het ook eens te bestellen. Hadden ze in Wernigerode nog een beschaafde kop soep, hier was het meteen een groot bord vol en het was hartstikke lekker. In het hollands vertaald is het een mix van tomaten- en groentesoep met daarin veel vlees en uien. Een echte maaltijdsoep dus.

In ons hotel konden ze er ook wat van. Wegens een arrangement hadden wij iedere avond een driegangen maaltijd met vooraf soep of salade, een hoofdmenu waar we uit drie konden kiezen en een toetje. Nou is een Duits menu voor ons niet al te duidelijk en we hebben heel wat moeten gokken. Niet alles was even lekker en ik herinner me nog levendig het moment dat we alle vier met lange tanden een stel kleffe meelballen zaten weg te werken. Maar dat was een uitzondering, over het geheel genomen was het echt lekker en ze deden door veel gevarieerde kruiden te gebruiken hun naam "Der Kräuterhof" best eer aan. Onze doodgewone gekookte aardappels smaakten iedere avond totaal anders. Een keer heb ik mijn bord gefotografeerd en zoals je ziet lijkt het wel een maaltijd uit een vijfsterrenrestaurant. De toetjes waren een verhaal apart. De eerste avond kregen we iets wat me deed denken aan de jaren vijftig. Rijstepap met appelmoes. Helaas een beetje teveel overgoten met kaneel, maar ja ik moet niet zeuren, want wie eet dat nog in een restaurant vandaag de dag. Verder herinner ik me dunne ijsplakjes overgoten met honing en chocolade saus met de welluidende naam van "Tannenhonigparfait".


Nog even teruggaand naar het restaurant boven op de Brocken hebben we nog veel lol gehad over een ander gerecht. Hoe het heette weet ik helaas niet maar het lijkt nog het meeste op twee grote Maagdenburger halve bollen van griesmeel. Een rode en een witte bol overgoten met rode saus lagen als een uitholling overdwars in de grootte van cup E op een bord. In mijn ogen was het meer een te groot uitgevallen toetje, maar boven op de Brocken werd dat als maaltijd verorberd. Naast mij zat een meisje waarvoor twee bollen blijkbaar toch wel een beetje veel was, want zij kwam aanlopen met één witte bol op een bordje en toen zij eenmaal zat begon haar moeder fanatiek in de bol te hakken. Het soepbord was bijna te klein voor al die witte brokken doordrenkt van die rode saus, maar gezien de snelheid waarmee het naar binnenging zal het toch wel lekker geweest zijn. Tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik dat niet heb uitgeprobeerd want na de Soljankasoep was daarvoor echt geen plaats meer. 

Geschreven: Opperdoes, 21 maart 2006
Dagtekening: 19 maart 2006

Vrijdag 6 september 2019


Heee, dat was ineens een bekende naam! Ik liep vanmorgen in de Aldi [Enkhuizen] op zoek naar mandarijnen toen mijn oog ineens viel op een bekende naam, die had ik hier nog nooit gezien. "Soljanka" stond er op het blik, dat ik direkt na binnenkomst zag. Oei, die naam liet me meteen 13 jaar in het verleden duikelen. We [Karel, onze stoomtramvriend Arie, dochter Suzanne en ik] waren in de Harz, waar we in een restaurantje in Werningerrode die soep voor het eerst op de menukaart zagen staan. Arie, die het kende, was enthousiast en samen met Karel ging hij aan de soep. Suus en ik keken de kat uit de boom en wilden het eerst wel eens proeven. Dat had tot gevolg, dat wij, een dag later, boven op de Brocken, alle vier een superbord van dat spul zaten weg te werken. Yammie!!!!!